Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
1.Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer 6557014 / 18-3)
2.Het geding in hoger beroep
- de dagvaarding in hoger beroep van 26 september 2018;
- de memorie van grieven (door [appellant] aangeduid als “memorie van eis in conventie en reconventie”) met producties 1-5;
- de akte inbrenging extra producties van [appellant] met producties 6 en 7;
- de memorie van antwoord met producties 1-28;
- de akte van [appellant] met productie 8;
- de antwoordakte van [geïntimeerde] met producties 29 en 30;
- het pleidooi, waarbij beide partijen pleitaantekeningen hebben overgelegd.
3.De beoordeling
- Op 14 september 1999 hebben de heer [vader van appellant] en mevrouw [moeder van appellant] , de ouders van [appellant] , een huurovereenkomst gesloten met [geïntimeerde] ter zake de woning aan de [adres] te [plaats] (hierna: de woning).
- Op 16 april 2017 is de moeder van [appellant] overleden. Op 27 juni 2017 is de vader van [appellant] overleden.
- [appellant] heeft [geïntimeerde] verzocht om na het overlijden van zijn ouders, de huurovereenkomst te mogen voortzetten. Bij brief van 7 november 2017 heeft [geïntimeerde] dit verzoek afgewezen.
- [appellant] heeft vanaf september 2018 (dus nadat het in dit hoger beroep bestreden vonnis van 28 juni 2018 was gewezen) geen huur / vergoeding ter hoogte van de huur meer betaald, hetgeen resulteerde in een achterstand van tien maanden. In verband hiermee heeft [geïntimeerde] [appellant] in kort geding betrokken en betaling van de achterstallige huur en ontruiming van de woning gevorderd. Bij vonnis in kort geding van 21 juni 2019 heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Oost-Brabant de vorderingen van [geïntimeerde] toegewezen.
- [appellant] heeft geen hoger beroep ingesteld tegen het kortgedingvonnis.
- Op of omstreeks 11 juli 2019 is het kortgedingvonnis ten uitvoer gelegd. [appellant] verblijft sindsdien niet meer in de woning. [geïntimeerde] heeft de woning aan een derde verhuurd.
- [appellant] heeft zijn vordering tijdig ingesteld (rov. 4.2.).
- [appellant] had zijn hoofdverblijf in de woning (rov. 4.5.).
- Er is geen sprake van woonruimte waarvoor een huisvestingsvergunning nodig is (rov. 4.5.).
- Met de door [appellant] overgelegde financiële stukken en verklaringen is niet aannemelijk geworden dat [appellant] met zijn ouders een duurzame gemeenschappelijke huishouding heeft gevoerd (rov. 4.12 – 4.15).
- de vordering van [appellant] in conventie afgewezen;
- [appellant] veroordeeld tot ontruiming van de woning binnen veertien dagen na betekening van het vonnis;
- het in reconventie meer of anders gevorderde afgewezen;
- [appellant] veroordeeld tot betaling van de proceskosten in conventie en reconventie.