Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
1.[appellant] ,wonende te [woonplaats] , Alicante,
[de vennootschap] ,gevestigd te [vestigingsplaats] ,
[de vennootschap 2] ,gevestigd te [vestigingsplaats] ,
5.Het verloop van de procedure
6.De beoordeling
Aanvullende criteria
) en partij 2 (hof: [appellant] als vergunninghouder van [de vennootschap]
) ieder een vergunning voor het exploiteren van een coffeeshop op de beganegrondverdieping van het pand [adres 1] te verlenen (…)
Kamerstukken II2010/2011, 24 077, nr. 259, laat de regering weten dat doordat het Nederlandse drugsbeleid in andere landen niet wordt nagevolgd, in Nederland sprake is van ‘drugstoerisme’, waarbij buitenlanders naar plaatsen in Nederland komen waar een coffeeshop is gevestigd en daar drugs kopen. In de brief aan de Tweede Kamer is de aan te pakken problematiek door de betrokken ministers samengevat als volgt:
Om overlast en criminaliteit die verband houden met coffeeshops en de handel in verdovende middelen tegen te gaan, zal een einde worden gemaakt aan het huidige ‘open-deur-beleid’ van de coffeeshops. Coffeeshops moeten kleiner en beheersbaar worden gemaakt. (…) De aantrekkingskracht van het Nederlandse drugsbeleid op gebruikers afkomstig uit het buitenland moet worden teruggedrongen. Coffeeshops worden klein en besloten en zullen zich in hun verkoop moeten gaan richten op de lokale markt. De handel in drugs is vergroot, geprofessionaliseerd en vercommercialiseerd. De aanpak georganiseerde (drugs)criminaliteit moet dan ook worden geïntensiveerd. (...)”.
Stcrt. 2011 nr. 22936. Per 1 januari 2012 is het gedoogbeleid van het Openbaar Ministerie aangescherpt door de toegang tot coffeeshops te beperken tot, voor zover hier relevant, ingezetenen van Nederland van achttien jaar en ouder (hierna: het “I-criterium”). Het I-criterium is met ingang van 1 mei 2012 in de provincies Limburg, Noord-Brabant en Zeeland gehandhaafd.
Haviltex). Daarbij verdient opmerking dat ook gedragingen van partijen na het sluiten van de overeenkomst van belang kunnen zijn voor de aan die overeenkomst te geven uitleg (HR 12 oktober 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX5572 (
Portier/Montessori),
NJ2012, 589 en HR 18 september 2015, ECLI:NL:HR:2015:2741 (
International Strategies Group/Royal Bank of Scotland)
NJ2015/382). Een overeenkomst heeft op grond van artikel 6:248 lid 1 BW Pro niet alleen de door partijen overeengekomen rechtsgevolgen, maar ook die welke, naar de aard van de overeenkomst, uit de wet, de gewoonte of de eisen van redelijkheid en billijkheid voortvloeien. Indien wet, gewoonte en overeenkomst niet voorzien in een regeling en sprake is van een leemte, kunnen de redelijkheid en billijkheid deze leemte aanvullen. Of sprake is van een leemte dient eveneens aan de hand van de Haviltex-maatstaf te worden vastgesteld.
“overleg hebben gevoerd over de mogelijke verplaatsing van de coffeeshops” van [appellanten] “
naar een gezamenlijke locatie met betere randvoorwaarden voor de ontsluiting en exploitatie van beide coffeeshops”, zoals de considerans luidt, betekent immers niet dat partijen zouden hebben beoogd afspraken betreffende (het afzien van) de handhaving van het I-criterium in de etablissementen van [appellanten] onderdeel uit te laten maken van de Overeenkomst of daarover overleg hebben gevoerd. Uit de uitsluiting van aansprakelijkheid van de Gemeente voor wijzigingen in het Rijksbeleid zoals bepaald in artikel 4 Overeenkomst Pro, volgt evenmin dat partijen de bedoeling hadden afspraken te maken over de beperking van de handhavingsbevoegdheid van de Gemeente. Dit blijkt niet uit de tekst van artikel 4 Overeenkomst Pro en [appellanten] heeft geen andere omstandigheden aangevoerd waaruit blijkt dat partijen met de vastlegging van de afspraken omtrent voornoemde exoneratie, tevens hebben beoogd te voorzien in de beperking van handhaving door de Gemeente. Voor zover [appellanten] beoogt te betogen dat dit zou volgen uit een
a contrariouitleg van artikel 4 Overeenkomst Pro, slaagt ook dat betoog niet. Die uitleg zou immers ertoe strekken dat mogelijk sprake zou kunnen zijn van aansprakelijkheid van de Gemeente voor wijzigingen in haar gemeentelijk beleid (in tegenstelling tot uitgesloten wijzigingen van Rijksbeleid). Die uitleg gaat daarmee uit van de mogelijkheid van de Gemeente haar beleid te wijzigen en juist niet van een impliciet overeengekomen beperking in dat kader. Het hof komt tot de slotsom dat noch uit de bewoordingen van de Overeenkomst, noch uit de partijbedoelingen, blijkt dat partijen hebben beoogd met de afspraken vervat in de Overeenkomst af te zien van handhaving door de Gemeente van het I-criterium in de etablissementen van [appellanten]
Staat/Lavrijsen.