Uitspraak
1.[V.O.F.] V.O.F.,
2. [verweerder 2] ,
3. [B.V.] B.V.
1.Het geding in eerste aanleg
2.Het geding in hoger beroep
- het beroepschrift met het procesdossier van de eerste aanleg, ingekomen ter griffie op 6 november 2019;
- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg, ingekomen op 25 november 2019;
- het verweerschrift, ingekomen ter griffie op 7 januari 2020;
3.De beoordeling
“In het tweede lid wordt voorgesteld om hoger beroep en cassatie tegen een op verzoek van de werknemer toegewezen ontbinding slechts mogelijk te maken ten aanzien van (de hoogte van) de in dat kader toegekende vergoeding; herstel zal in die situatie immers niet door de werknemer worden verlangd en doorgaans evenmin door de werkgever.”(Kamerstukken II 2013/14, 33813, 3, p. 35, 119).
“Gezien het feit dat duidelijk was dat [de werknemer] gezien de gezondheidsklachten en de verstoorde arbeidsverhouding zijn werkzaamheden nooit meer voor [de werkgever] zou gaan of kunnen hervatten, kan er geen andere conclusie worden getrokken dan dat [de werkgever] het dienstverband van [de werknemer] enkel slapend heeft gehouden om dan geen transitievergoeding aan hem verschuldigd te zijn.”