ECLI:NL:GHSHE:2022:1115

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
6 april 2022
Publicatiedatum
6 april 2022
Zaaknummer
21/00293
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:3 AwbArt. 8:1 AwbArt. 7:1 lid 1 AwbArt. 8:75 AwbArt. 26 lid 1 Algemene wet inzake rijksbelastingen
Verwijzingen
7 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen aanslag watersysteemheffing en taakuitvoering Waterschap De Dommel

Belanghebbende is eigenaar van een woning en ontving een aanslag watersysteemheffing 2019 van €72,61 opgelegd door het Waterschap De Dommel. Belanghebbende maakte bezwaar tegen de aanslag, dat ongegrond werd verklaard. Vervolgens stelde belanghebbende beroep in bij de rechtbank, dat eveneens ongegrond werd verklaard. Het hoger beroep bij het hof richt zich niet tegen de aanslag of de hoogte ervan, maar tegen de wijze waarop het Waterschap haar taak invult, zoals het aanbrengen van meanders.

Het hof stelt vast dat het uitsluitend bevoegd is te oordelen over het besluit tot heffing van de watersysteemheffing, een beschikking in de zin van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De werkzaamheden van het Waterschap waar belanghebbende bezwaar tegen heeft zijn geen beschikkingen of besluiten in de zin van de Awb en vallen niet onder de belastingrechterlijke toetsing.

Daarom verklaart het hof het hoger beroep ongegrond en bevestigt het de uitspraak van de rechtbank. Er wordt geen vergoeding van griffierecht toegekend en geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak is openbaar gedaan op 6 april 2022.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard vanwege onbevoegdheid van het hof om te oordelen over de taakuitvoering van het Waterschap.

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team belastingrecht
Meervoudige Belastingkamer
Nummer: 21/00293
Uitspraak op het hoger beroep van
[belanghebbende] ,
wonend in [woonplaats] ,
hierna: belanghebbende,
tegen de uitspraak van rechtbank Oost-Brabant (hierna: de rechtbank) van 21 december 2020, nummer SHE 19/2906 in het geding tussen belanghebbende en
de heffingsambtenaar van het Waterschap de Dommel,
hierna: de heffingsambtenaar.

1.Ontstaan en loop van het geding

1.1.
De heffingsambtenaar heeft de aanslag watersysteemheffing 2019 (hierna: de aanslag) opgelegd.
1.2.
Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt. De heffingsambtenaar heeft uitspraak op bezwaar gedaan en het bezwaar ongegrond verklaard.
1.3.
Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak beroep ingesteld bij de rechtbank. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.
1.4.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld bij het hof. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.
1.5.
Belanghebbende heeft in reactie op het verweerschrift een conclusie van repliek ingediend. De heffingsambtenaar heeft vervolgens een conclusie van dupliek ingediend.
1.6.
Belanghebbende heeft vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn doorgestuurd naar de heffingsambtenaar.
1.7.
De zitting heeft plaatsgevonden op 25 maart 2022 in ’s-Hertogenbosch. Daar zijn verschenen belanghebbende en, namens de heffingsambtenaar, [heffingsambtenaar] .
1.8.
Het hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.

2.Feiten

2.1.
Belanghebbende is eigenaar van de woning gelegen aan de [adres] in [woonplaats] .
2.2.
Met dagtekening 30 juni 2019 heeft de heffingsambtenaar aan belanghebbende de aanslag opgelegd. Het bedrag van de aanslag is € 72,61.
2.3.
Op de achterkant van het aanslagbiljet is de volgende tekst opgenomen:
“Watersysteemheffing betaalt u voor de bescherming tegen wateroverlast voor inwoners en bedrijven. En we zorgen ervoor dat er voldoende water is voor landbouw en natuur.”

3.Geschil en conclusies van partijen

3.1.
Het geschil betreft het antwoord op de vraag of het Waterschap De Dommel (hierna: het Waterschap) haar middelen op de juiste wijze besteedt.
3.2.
Niet in geschil is dat het hoger beroep van belanghebbende zich niet richt tegen de heffing van watersysteemheffing in zijn algemeenheid en ook niet tegen de aanslag of de hoogte ervan in het bijzonder.

4.Gronden

Ten aanzien van het geschil
4.1.
Belanghebbende kan zich vinden in de aanslag en de hoogte ervan. In zoverre bestaat er tussen partijen geen geschil. Het hoger beroep richt zich tegen de wijze waarop het Waterschap invulling geeft aan haar taak. Het hof heeft echter niet de wettelijke bevoegdheid om daarover te mogen oordelen en is dus in zoverre onbevoegd.
4.2.
In dit geval ligt namelijk slechts ter beoordeling voor de aanslag. Dat is een besluit in de zin van artikel 1:3, lid 1, Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), meer specifiek een beschikking in de zin van artikel 1:3, lid 1, Awb waartegen bezwaar kan worden gemaakt en beroep kan worden ingesteld. [1] De werkzaamheden van het Waterschap waar belanghebbende het niet mee eens is, zoals het aanbrengen van meanders, zijn geen besluiten in de zin van de Awb - schriftelijke beslissingen van een bestuursorgaan - laat staan belastingaanslagen of voor bezwaar vatbare beschikkingen waartegen - na bezwaar - bij de belastingrechter beroep kan worden ingesteld. Voor de belastingrechter ligt hier dus geen taak.
Tussenconclusie
4.3.
De slotsom is dat het hoger beroep ongegrond is.
Ten aanzien van het griffierecht
4.4.
Het hof ziet geen aanleiding om het griffierecht te laten vergoeden.
Ten aanzien van de proceskosten
4.5.
Het hof oordeelt dat er geen redenen zijn voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 Awb Pro.

5.Beslissing

Het hof:
  • verklaart het hoger beroep ongegrond;
  • bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
De uitspraak is gedaan door M.J.C. Pieterse, voorzitter, P.C. van der Vegt en T.A. Gladpootjes, in tegenwoordigheid van E.J.M. Bohnen, als griffier.
De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 6 april 2022 en afschriften van de uitspraak zijn op die datum aangetekend aan partijen verzonden.
Het aanwenden van een rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij
de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie
www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
(Alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
de naam en het adres van de indiener;
de dagtekening;
een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
e gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.
In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de andere partij te veroordelen in de proceskosten.

Voetnoten

1.Artikel 26, lid 1, Algemene wet inzake rijksbelastingen in samenhang gelezen met artikel 8:1 Awb Pro en 7:1, lid 1, Awb.