ECLI:NL:GHSHE:2022:1139

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
7 april 2022
Publicatiedatum
7 april 2022
Zaaknummer
200.300.407_01
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 810 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vaststelling gewijzigde zorgregeling voor twee minderjarige kinderen in hoger beroep

In deze zaak gaat het om een geschil tussen de ouders over de zorgregeling voor hun twee minderjarige kinderen. De rechtbank Limburg had eerder een zorgregeling vastgesteld waarbij de kinderen in wisselende weken bij de man verbleven, met een verdeling van vakanties en feestdagen. De man kwam in hoger beroep tegen deze beschikking met een verzoek tot wijziging van de reguliere zorgregeling.

Tijdens de mondelinge behandeling in het hoger beroep bereikten partijen overeenstemming over een nieuwe zorgregeling. De kinderen verblijven nu de ene week van donderdag tot zondag 13.00 uur en de andere week van donderdag tot zaterdag 13.00 uur bij de man. De regeling voor vakanties, feestdagen en het halen en brengen blijft ongewijzigd en wordt bekrachtigd zoals eerder vastgesteld door de rechtbank.

Het hof vernietigde de eerdere beschikking voor zover deze de reguliere zorgregeling betrof en stelde de nieuwe regeling vast in het belang van de kinderen. Het beroep van de man werd niet-ontvankelijk verklaard voor zover het de vakanties, feestdagen en het halen en brengen betrof. De proceskosten in hoger beroep werden gecompenseerd, waarbij iedere partij haar eigen kosten draagt.

Uitkomst: Het hof stelde een gewijzigde zorgregeling vast waarbij de kinderen bij de man verblijven van donderdag tot zondag of zaterdag, en bekrachtigde de bestaande regeling voor vakanties en feestdagen.

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Team familie- en jeugdrecht
Uitspraak: 7 april 2022
Zaaknummer: 200.300.407/01
Zaaknummer eerste aanleg: C/03/266563 / FA RK 19-2586
in de zaak in hoger beroep van:
[de man],
wonende te [woonplaats] ,
verzoeker in hoger beroep,
hierna te noemen: de man,
advocaat: mr. M.P.M. Hogervorst,
tegen
[de vrouw],
wonende te [woonplaats] ,
verweerster in hoger beroep,
hierna te noemen: de vrouw,
advocaat: mr. B.H.M. Nijsten.
Deze zaak gaat over:
- [minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum] 2017 te [geboorteplaats] ;
- [minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum] 2018 te [geboorteplaats] .
Als belanghebbende wordt aangemerkt:
William Schrikker Stichting Jeugdbescherming & Jeugdreclassering
,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
hierna te noemen: de gecertificeerde instelling (de GI).
In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:
Raad voor de Kinderbescherming,
hierna te noemen: de raad.

1.Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg, voor zover hier van belang, naar de beschikking van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht van 1 juli 2021, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2.Het geding in hoger beroep

2.1.
De man is op 29 september 2021 in hoger beroep gekomen van voormelde beschikking.
2.2.
De vrouw heeft op 23 december 2021 een verweerschrift ingediend.
2.3.
Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:
- V-formulieren met producties van de advocaat van de man d.d. 8 en 12 oktober 2021 en 3, 4, 12, 17 november 2021 met betrekking tot het procesdossier in eerste aanleg;
- een V-formulier met een brief van de advocaat van de man d.d. 2 januari 2022;
- een V-formulier met een brief van de advocaat van de man d.d. 17 februari 2022.
2.4.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 1 maart 2022. Bij die gelegenheid zijn gehoord:
- de man, bijgestaan door mr. Hogervorst;
- de vrouw, bijgestaan door mr. Nijsten;
- de GI, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de GI] ;
- de raad, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de raad] .

3.De feiten

3.1.
Partijen hebben van een affectieve relatie met elkaar gehad. Uit de relatie van partijen zijn geboren:
- [minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum] 2017 te [geboorteplaats] , en
- [minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum] 2018 te [geboorteplaats] ,
hierna samen te noemen: de kinderen.
De man heeft de kinderen erkend. Partijen oefenen gezamenlijk het gezag over de kinderen uit. De kinderen hebben het hoofdverblijf bij de vrouw
.
3.2.
Bij beschikking van 27 augustus 2020 heeft de rechtbank de kinderen onder toezicht gesteld van de GI met ingang van 27 augustus 2020 tot 27 augustus 2021. De ondertoezichtstelling is daarna verlengd voor de duur van één jaar, tot 27 augustus 2022.

4.De omvang van het geschil

4.1.
Tussen partijen is in geschil de regeling ter verdeling van de zorg- en opvoedingstaken betreffende de kinderen (hierna: de zorgregeling).
4.2.
De rechtbank heeft in de bestreden – uitvoerbaar bij voorraad verklaarde – beschikking van 1 juli 2021 als zorgregeling tussen partijen bepaald dat de kinderen:
gedurende de eerste zes maanden vanaf die beschikking:
- in de ene week van woensdagmiddag vanaf 15.30 uur tot vrijdag voor school/peuterspeelzaal/9.00 uur bij de man zullen verblijven;
- in de andere week van vrijdagmiddag 15.30 uur tot zondag 18.00 uur bij de man zullen verblijven;
- gedurende de helft van de vakanties en feestdagen bij de man of de vrouw zullen verblijven, in onderling overleg te bepalen;
- op de verjaardag van de man en op Vaderdag bij de man zullen verblijven;
- op de verjaardag van de vrouw en op Moederdag bij de vrouw zullen verblijven;
- hun eigen verjaardag vieren bij de ouder waar zij op dat moment verblijven, waarbij het voor de andere ouder mogelijk wordt gemaakt de kinderen gedurende minimaal twee uur op hun verjaardag te feliciteren;
waarbij het halen en brengen tussen partijen evenredig wordt verdeeld;
v
ervolgens na zes maanden:
- in de ene week van woensdagmiddag vanaf 15.30 uur tot vrijdag voor school/peuterspeelzaal/9.00 uur bij de man zullen verblijven;
- in de andere week van vrijdagmiddag 15.30 uur tot maandagochtend voor school/peuterspeelzaal/9.00 uur bij de man zullen verblijven;
- gedurende de helft van de vakanties en feestdagen bij de man of de vrouw zullen verblijven, in onderling overleg te bepalen;
- op de verjaardag van de man en op Vaderdag bij de man zullen verblijven;
- op de verjaardag van de vrouw en op Moederdag bij de vrouw zullen verblijven;
- hun eigen verjaardag vieren bij de ouder waar zij op dat moment verblijven, waarbij het voor de andere ouder mogelijk wordt gemaakt de kinderen gedurende minimaal twee uur op hun verjaardag te feliciteren;
waarbij het halen en brengen tussen partijen evenredig wordt verdeeld.
Het meer of anders verzochte is afgewezen.
4.3.
Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 29 september 2021, heeft de man verzocht de beschikking van 1 juli 2021 te vernietigen voor zover het betreft de reguliere zorgregeling na het verstrijken van de eerste periode van zes maanden en, opnieuw rechtdoende, als zorgregeling tussen de man en de kinderen vast te stellen:
- met betrekking tot de reguliere zorg: ieder week van woensdag tot zaterdagmiddag 12.00 uur;
- met betrekking tot de vakanties en feestdagen en overige dagen: de beslissing van de rechtbank van 1 juli 2021 te bekrachtigen.
4.4.
Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie op 23 december 2021, heeft de vrouw verzocht het hoger beroep van de man af te wijzen en de bestreden beschikking in stand te laten. Kosten rechtens.
4.5.
De man heeft nadien, bij brief van 17 februari 2022, zijn verzoek gewijzigd in die zin dat hij verzoekt als zorgregeling vast te stellen dat de kinderen bij hem verblijven de ene week van donderdag tot zondag 13.00 uur en de andere week van donderdag tot zaterdag 13.00 uur, alsmede de helft van de vakanties en feestdagen.

5.De motivering van de beslissing

5.1.
Ter mondelinge behandeling hebben partijen overeenstemming bereikt over de zorgregeling. Partijen zijn het erover eens dat de reguliere zorgregeling, zoals die sinds december 2021 door hen wordt uitgevoerd en door de man is weergegeven in zijn brief aan het hof van 17 februari 2022, wordt voorgezet. Deze regeling houdt in dat de kinderen bij de man verblijven de ene week van donderdag tot zondag 13.00 uur en de andere week van donderdag tot zaterdag 13.00 uur.
5.2.
Partijen hebben het hof verzocht voornoemde zorgregeling vast te leggen in de beschikking. Het hof komt deze zorgregeling in het belang van de kinderen wenselijk voor en zal die regeling vaststellen. Gelet hierop zal het hof de bestreden beschikking, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, vernietigen en in zoverre beslissen als hierna is vermeld.
5.3.
De zorgregeling voor de vakanties en feestdagen en de verdeling van het halen en brengen, zoals opgenomen in de bestreden beschikking, zijn in hoger beroep geen onderwerp van geschil. Het hof beschouwt het beroep van de man in zoverre als ingetrokken en zal hem daarin niet-ontvankelijk verklaren.
Dit betekent dat wat betreft deze onderwerpen de regeling geldt zoals in de beschikking van de rechtbank van 1 juli 2021 staat weergegeven.
5.4.
Het hof zal de proceskosten in hoger beroep compenseren.

6.De beslissing

Het hof:
vernietigt de tussen partijen gegeven beschikking van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht van 1 juli 2021, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen,
en in zoverre opnieuw rechtdoende:
verdeelt de zorg- en opvoedingstaken tussen de man en de vrouw met betrekking tot:
- [minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum] 2017 te [geboorteplaats] , en
- [minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum] 2018 te [geboorteplaats] ,
aldus dat de kinderen bij de man verblijven:
- de ene week van donderdag tot zondag 13.00 uur en
- de andere week van donderdag tot zaterdag 13.00 uur;
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
verklaart de man niet-ontvankelijk in zijn beroep voor zover dit zorgregeling voor de vakanties en feestdagen en de verdeling van het halen en brengen betreft;
compenseert de proceskosten in hoger beroep, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Deze beschikking is gegeven door mrs. E.L. Schaafsma-Beversluis, H. van Winkel en J.C.E. Ackermans-Wijn en is in het openbaar uitgesproken op 7 april 2022 door mr. J.C.E. Ackermans-Wijn in tegenwoordigheid van de griffier.