Uitspraak
1.Het verloop van het geding in eerste aanleg
2.Het geding in hoger beroep
- een journaalbericht van de zijde van de man van 21 februari 2022 met bijlage;
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
De man is in hoger beroep gekomen tegen de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant die hem niet-ontvankelijk verklaarde in zijn verzoek tot wijziging van de kinderalimentatie. Hij stelde dat zijn inkomen in 2021 beduidend lager was dan ten tijde van de echtscheidingsprocedure in 2018/2019, wat een wijziging van omstandigheden zou zijn in de zin van artikel 1:401 lid 1 BW Pro.
De vrouw voerde verweer dat de man onvoldoende had onderbouwd dat zijn inkomen daadwerkelijk was gedaald en dat hij geen concrete inkomensgegevens over de relevante periode had overgelegd. Het hof stelde vast dat de man tijdens de mondelinge behandeling erkende niet meer over de inkomensgegevens te beschikken en dat uit de overgelegde salarisstrook bleek dat zijn inkomen in 2021 zelfs hoger was dan het in 2018/2019.
Het hof oordeelde dat geen sprake was van een rechtens relevante wijziging van omstandigheden die een aanpassing van de kinderalimentatie rechtvaardigt. Daarom werden de grieven van de man verworpen en de beschikking van de rechtbank bekrachtigd. De proceskosten in hoger beroep werden gecompenseerd zodat elke partij haar eigen kosten draagt.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt de niet-ontvankelijkheid van het verzoek tot wijziging van kinderalimentatie wegens het ontbreken van een rechtens relevante wijziging van omstandigheden.