ECLI:NL:GHSHE:2022:1296
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
- Hoger beroep
- H. van Winkel
- C.D.M. Lamers
- M.I. Peereboom-van Drunick
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep kinderalimentatie en draagkrachtberekening na beëindiging WW-uitkering
Partijen zijn ouders van een minderjarige en betrokken bij een geschil over de hoogte van de kinderalimentatie. De vrouw kwam in hoger beroep tegen de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 18 mei 2021, waarin de man een bijdrage aan de kosten van verzorging en opvoeding van het kind moest betalen.
De vrouw stelde dat de behoefte van het kind hoger moest worden vastgesteld op basis van het netto besteedbaar inkomen van de man in 2020, dat aanzienlijk hoger was dan in 2017. De man voerde aan dat de rechtbank ten onrechte geen rekening had gehouden met diverse lasten en het kindgebonden budget, en stelde een lagere behoefte vast. Het hof berekende het netto besteedbaar inkomen van de man in 2020 op ongeveer € 5.014 per maand, rekening houdend met huurinkomsten minus lasten.
Daarnaast werd de zorgkorting besproken, waarbij het hof een korting van 35% toekende vanwege de omvang van de zorg en de autokosten van de man. De draagkracht van partijen werd berekend voor de perioden 12 juni 2020 tot 1 april 2021 en vanaf 1 april 2021, waarbij rekening werd gehouden met het beëindigen van de WW-uitkering en het parttime dienstverband van de man.
Het hof vernietigde de beschikking van de rechtbank en stelde nieuwe kinderalimentatiebedragen vast, oplopend van € 363,- per maand vanaf 12 juni 2020 tot € 386,- per maand vanaf 1 januari 2022. De proceskosten werden gecompenseerd zodat elke partij haar eigen kosten draagt.
Uitkomst: Het hof vernietigt de beschikking van de rechtbank en stelt nieuwe kinderalimentatiebedragen vast van € 363,- tot € 386,- per maand, rekening houdend met gewijzigde inkomens en zorgkorting.