Partijen zijn gescheiden en hebben twee minderjarige kinderen. De man is in hoger beroep gekomen tegen de vastgestelde kinderalimentatiebedragen, stellende dat de behoefte van de kinderen en zijn draagkracht anders moeten worden berekend. De vrouw heeft ook incidenteel hoger beroep ingesteld met een hogere alimentatievordering.
Het hof heeft de feiten van de rechtbank overgenomen waartegen geen bezwaar was gemaakt en beoordeelde de behoefte van de kinderen op basis van het gezinsinkomen tijdens het huwelijk, waarbij het netto besteedbaar gezinsinkomen is vastgesteld op €6.087 per maand. De behoefte van de kinderen is gemaximeerd op het tabelbedrag voor een gezinsinkomen van €6.000 of meer, conform jurisprudentie, en de door partijen aangevoerde correcties op de jaarstukken zijn niet geaccepteerd.
De draagkracht van de vrouw is vastgesteld op €1.400 netto per maand, waarbij een minimale draagkracht van €50 is vastgesteld en verdeeld over drie kinderen. De draagkracht van de man kon niet exact worden vastgesteld vanwege onvoldoende verifieerbare gegevens over zijn ondernemingen. Het hof hield het erop dat de man voldoende draagkracht heeft om in de resterende behoefte te voorzien.
De zorgkorting is vastgesteld op 35% op basis van het aantal dagen zorg bij de man. De alimentatiebedragen zijn vastgesteld op €486,83 per kind per maand vanaf 12 maart 2020, met jaarlijkse indexering. De proceskosten in hoger beroep worden gecompenseerd, waarbij iedere partij haar eigen kosten draagt.