Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
5.Het verloop van de procedure
- het tussenarrest van 26 mei 2020 waarbij het hof een mondelinge behandeling na aanbrengen heeft gelast;
- de door [appellante] ten behoeve van die comparitie overgelegde producties;
- het proces-verbaal van de comparitie van 19 augustus 2020;
- de memorie van grieven met eiswijziging;
- de memorie van antwoord met producties;
- de mondelinge behandeling, waarbij [appellante] pleitnotities heeft overgelegd.
6.De beoordeling
Hierbij verklaart ondergetekende [persoon A] de vlgd afspraak gemaakt te hebben met Dhr [geïntimeerde] , voor/tijdens de bouw van het pand hoek [straatnaam 2] / [straatnaam 1] het pand tegen woonhuis/winkel [adres 2] te mogen bouwen.
Verder hebben we (..) het idee de bestaande muur aangrenzend aan de parkeerplaatsen (..) te slopen om vervolgens via deze weg via de achterkant toegang te krijgen tot ons perceel. (..)”
Het verhaal dat de heer [persoon A] schetst in zijn verklaring is ons onbekend.
, om toegang te kunnen verkrijgen tot de achterzijde van het perceel [adres 2] , géén gebruik maken van het eigendom van bezwaarmaker. (..) vergunninghouder[heeft]
een gewijzigde bestektekening ingediend. Met deze gewijzigde bestektekening wordt aangegeven dat (..)de achterom voor de bewoners plaatsvindt via het aan de andere kant gelegen perceel [adres 3] . (..)”.
blijvendte dulden dat door [appellante] naar believen gebruik wordt gemaakt van [geïntimeerde] ’ parkeerterrein om met een auto of een fiets over te rijden, aldaar te parkeren, goederen te laden en te lossen en in het algemeen om de achterkant van het perceel van [appellante] te bereiken. Het enkele feit dat (de huurders van) [appellante] en/of [persoon A] van tijd tot tijd, of eventueel zelfs met grote regelmaat zoals uit de overgelegde verklaringen lijkt voort te vloeien, dit gebruik hebben gehad, is daartoe onvoldoende. De eigenaar van het belendende perceel ( [geïntimeerde] ) hoefde daaruit niet af te leiden dat [appellante] (c.q. haar rechtsvoorganger [persoon A] ) pretendeerde dat haar het recht daartoe toekwam, meer in het bijzonder het recht uit hoofde van een erfdienstbaarheid (waardoor het perceel van [geïntimeerde] dus daarmee belast was en zij het exclusieve genot van haar perceel was verloren). Het gebruik door (de huurders van) [appellante] c.q. [persoon A] kan evenzeer duiden op een gebruik in een andere hoedanigheid, waarbij tevens te denken valt aan eigenmachtig gebruik. [appellante] heeft geen andere uiterlijke feiten gesteld die in dit verband relevant zijn. Evenmin heeft [appellante] op dit punt een voldoende concreet bewijsaanbod gedaan. Reeds omdat geen sprake is geweest van het vereist bezit ervan, kan de door [appellante] gestelde erfdienstbaarheid niet zijn ontstaan door verjaring.
Wij zullen de bestaande situatie daarom dan ook niet gaan wijzigen.”
Het verhaal dat de heer [persoon A] schetst in zijn verklaring is ons onbekend.”.Dat is een duidelijke, negatieve, reactie op het verzoek van [appellante] om een persoonlijk recht van overpad te mogen krijgen, zoals de kantonrechter ook reeds terecht overwoog. Hetgeen de kantonrechter in rechtsoverweging 4.9 van het bestreden vonnis heeft overwogen komt het hof juist voor. Nu geen andere feiten en omstandigheden zijn aangevoerd waaruit af te leiden zou zijn dat een afspraak is gemaakt tussen [appellante] en [geïntimeerde] , en hiertoe ook geen expliciet bewijs is aangeboden, passeert het hof ook deze stelling.
Voetpaden, dreven of wegen aan verscheiden geburen gemeen, en welke hun tot eenen uitweg dienen, kunnen niet dan met gemeene toestemming worden verlegd, vernietigd of tot een ander gebruik gebezigd, dan waartoe dezelfde zijn bestemd geweest”.
voetpad, dreef of weg die voor meerdere buren als uitweg dient” en de enkele toestemming aan [persoon A] om het parkeerterrein te gebruiken is onvoldoende om aan te nemen dat daarmee het parkeerterrein te eeuwigen dage door de rechtsvoorganger van [geïntimeerde] bestemd was als buurweg.