Uitspraak
1.Het verloop van het geding in eerste aanleg
2.Het geding in hoger beroep
3.De feiten
4.De omvang van het geschil
.
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Partijen zijn gehuwd geweest en hebben een jongmeerderjarige zoon. Na hun echtscheiding in 2019 is de gemeenschap van goederen nog niet verdeeld, waaronder de voormalige echtelijke woning. De vrouw bleef met de zoon in de woning wonen, terwijl de man de volledige hypothecaire lasten droeg.
De vrouw kwam in hoger beroep tegen een beschikking waarin de partneralimentatie vanaf 3 augustus 2021 op nihil werd gesteld. Zij stelde dat de alimentatie vanaf 1 juli 2019 had moeten ingaan en dat de draagkracht van de man hoger was dan door de rechtbank aangenomen. De man voerde verweer en verzocht de bestreden beschikking te bekrachtigen.
Het hof oordeelde dat de rechtbank terecht was uitgegaan van de ingangsdatum van 3 augustus 2021, mede omdat het inkomen van de vrouw vanaf 1 juli 2019 gelijk was aan de door de rechtbank gebruikte WW-uitkering. De vrouw had geen concrete onderbouwing gegeven voor een hoger inkomen van de man en haar stellingen over leningdelen en woonlasten werden door het hof verworpen. De rechtbank had terecht rekening gehouden met de helft van de huurkosten van de man en diens huidige partner buiten de draagkrachtberekening gelaten.
Omdat alle grieven van de vrouw falen, bekrachtigt het hof de bestreden beschikking en compenseert de proceskosten in hoger beroep. Het meer of anders verzochte wordt afgewezen.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt de beschikking waarin partneralimentatie op nihil is gesteld en wijst de grieven van de vrouw af.