Na de echtscheiding van partijen in 2019 is de man verplicht gesteld om partneralimentatie van €700 bruto per maand te betalen, geïndexeerd tot €739,03 in 2021. De man verzocht om deze alimentatie met ingang van 1 februari 2021 op nihil te stellen, terwijl de vrouw incidenteel hoger beroep instelde voor verhoging tot €1.255 bruto per maand.
Het hof oordeelde dat er sprake is van een wijziging van omstandigheden die een herbeoordeling van de behoefte van de vrouw en draagkracht van de man rechtvaardigt. De vrouw werd alsnog ontvankelijk verklaard in haar verzoek. De man kon onvoldoende aantonen dat zijn partner niet in staat was om in haar eigen levensonderhoud te voorzien, waardoor de rechtbank terecht uitging van de Participatiewet-norm voor alleenstaanden.
De draagkracht van de man werd vastgesteld op €1.133 bruto per maand, waarmee hij voldoende draagkracht heeft om de geïndexeerde partneralimentatie te voldoen. De vrouw kwam met haar jusvergelijking uit op een lagere alimentatie dan de huidige, waardoor haar verzoek tot verhoging werd afgewezen. Het hof vernietigde de eerdere niet-ontvankelijkheidsverklaring van de vrouw en bekrachtigde de rest van de beschikking, waarbij het verzoek van de man tot nihilstelling werd afgewezen.