Parketnummer : 20-000125-20
Uitspraak : 13 mei 2022
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof
's-Hertogenbosch
gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Limburg, zitting houdende te Maastricht, van 16 januari 2020, in de strafzaak met parketnummer 03-179966-19 tegen:
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1998,
wonende te [adres] .
Bij vonnis waarvan beroep is de verdachte door de politierechter ter zake van ‘mishandeling, begaan tegen zijn levensgezel’ veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 80 uren subsidiair 40 dagen hechtenis. De politierechter heeft de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] integraal tot het bedrag van € 600,00 toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Namens de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen.
De raadsman van de verdachte heeft primair vrijspraak bepleit. Subsidiair is een straftoemetingsverweer gevoerd, in die zin dat is betoogd dat aan de verdachte met toepassing van artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht geen straf of maatregel zal worden opgelegd. Met betrekking tot de vordering van de benadeelde partij heeft de raadsman primair geconcludeerd dat deze daarin niet-ontvankelijk moet worden verklaard, althans dat de vordering moet worden afgewezen. Subsidiair heeft de raadsman zich dienaangaande gerefereerd aan het oordeel van het hof.
Het bestreden vonnis zal worden vernietigd omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de politierechter.
Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
hij op of omstreeks 9 januari 2019 te Simpelveld zijn levensgezel, [slachtoffer] , heeft mishandeld door die [slachtoffer] te slaan en/of te schoppen.
De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
De verdachte staat ingevolge hetgeen aan hem ten laste is gelegd terecht ter zake van gekwalificeerde mishandeling, in die zin dat daarbij sprake zou zijn van een levensgezel. Het hof ziet zich aldus mede voor de vraag gesteld of kan worden bewezen dat [slachtoffer] de levensgezel was van de verdachte ten tijde van het tenlastegelegde. In dat verband overweegt het hof als volgt.
Het hof stelt voorop dat volgens de wetsgeschiedenis en ingevolge de jurisprudentie van de Hoge Raad voor een bewezenverklaring van het delictsbestanddeel ‘levensgezel’ de aard en hechtheid van de betrekking tussen de verdachte en aangeefster doorslaggevend is. Uit de toelichting bij de nota van wijziging bij het wetsvoorstel dat heeft geleid tot de Wet van 22 december 2005,
Stb. 2006, 11 (
Kamerstukken II, 2002-2003, 28484, nr. 5, p. 5) volgt verder dat slechts van een levensgezel in de zin der wet kan worden gesproken indien de verdachte en aangeefster ten tijde van het tenlastegelegde meerderjarig waren.
Uit het verhandelde ter terechtzitting en het procesdossier komt evenwel naar voren dat [slachtoffer] ten tijde van het tenlastegelegde nog niet de leeftijd van achttien jaren had bereikt. Het hof is mitsdien van oordeel dat het bewijs voor het delictsbestanddeel ‘zijn levensgezel’ reeds daarom tekort schiet. De verdachte zal derhalve in zoverre worden vrijgesproken van hetgeen aan hem ten laste is gelegd.
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
hij op 9 januari 2019 te Simpelveld [slachtoffer] heeft mishandeld door die [slachtoffer] te slaan en te schoppen.
Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.
Hierna wordt – tenzij anders vermeld – steeds verwezen naar het eindproces-verbaal van de politie-eenheid Limburg, op ambtseed opgesteld door verbalisant [verbalisant 1] , brigadier van politie, registratienummer PL2300-2019004793, gesloten d.d. 18 augustus 2019, bevattende een verzameling op ambtseed dan wel ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal van politie met daarin gerelateerde bijlagen, met doorgenummerde pagina’s 1 tot en met 34.