ECLI:NL:GHSHE:2022:1587

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
19 mei 2022
Publicatiedatum
19 mei 2022
Zaaknummer
200.303.939_01 en 200.303.939_02
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:253a BWArt. 810 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bekrachtiging vervangende toestemming inschrijving minderjarige op school moeder

Deze zaak betreft een geschil tussen ouders over de schoolkeuze van hun minderjarige dochter na beëindiging van hun relatie. De moeder heeft vervangende toestemming gekregen om de dochter in te schrijven op een school in haar woonplaats, een beslissing waartegen de vader in hoger beroep is gekomen.

De vader voerde aan dat het in het belang van de dochter was om op haar huidige school in zijn woonplaats te blijven, met een stabiele basis en betere uitstroompercentages. De moeder betoogde dat de huidige school in haar woonplaats beter past bij de situatie en dat zij praktische regelingen heeft getroffen om de dochter naar school te brengen.

De raad voor de Kinderbescherming adviseerde dat de moeder zich heeft ingespannen om de schoolgang praktisch mogelijk te maken en dat er geen aanwijzingen zijn dat de huidige school niet passend is. Het hof oordeelde dat het niet in het belang van de dochter is om opnieuw van school te wisselen gezien haar jonge leeftijd en de vele wisselingen die zij al heeft meegemaakt.

Het hof bekrachtigde de beschikking van de rechtbank die vervangende toestemming aan de moeder verleende en wees het verzoek van de vader tot schorsing af.

Uitkomst: Het hof bekrachtigt de vervangende toestemming aan de moeder om haar dochter in te schrijven op de school in haar woonplaats.

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Team familie- en jeugdrecht
Uitspraak: 19 mei 2022
Zaaknummers: 200.303.939/01 en 200.303.939/02
Zaaknummer eerste aanleg: C/01/374180 / FA RK 21-3913
in de zaak in hoger beroep van:
[de vader],
wonende te [woonplaats] ,
verzoeker in hoger beroep,
hierna te noemen: de vader,
advocaat: mr. M. de Jonge,
tegen
[de moeder],
wonende te [woonplaats] ,
verweerster in hoger beroep,
hierna te noemen: de moeder,
advocaat: mr. R.P. van Empel-Bouman.
Deze zaak gaat over de minderjarige
[minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2015 te [geboorteplaats] .
In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:
de Raad voor de Kinderbescherming,
hierna te noemen: de raad.

1.Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 19 november 2021, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2.Het geding in hoger beroep

2.1.
Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 14 december 2021, heeft de vader verzocht voormelde beschikking te vernietigen en het door de vrouw verzochte alsnog af te wijzen. Deze zaak is bij het hof geregistreerd onder zaaknummer:
200.303.939/01.
De vader heeft tevens verzocht de werking van de bestreden beschikking te schorsen. Dit verzoek is bij het hof geregistreerd onder zaaknummer:
200.303.939/02.
2.2.
Bij verweerschrift met producties, ingekomen ter griffie op 14 januari 2022, heeft de moeder verzocht de beschikking waarvan beroep te bekrachtigen.
De moeder heeft tevens verzocht het verzoek van de vader tot schorsing af te wijzen.
2.3.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 4 april 2022. Bij die gelegenheid zijn gehoord:
  • de vader, bijgestaan door mr. De Jong;
  • de moeder, bijgestaan door mr. Empel-Bouman en door een tolk in de Engelse taal C.G.M. Lemmen (tolknummer 2481);
  • de raad, vertegenwoordigd door mevrouw [vertegenwoordiger van de raad] .
2.4.
Tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep is tevens de andere bij dit hof lopende zaak tussen partijen behandeld inzake – kort weergegeven – het verzoek van de vader om het verzoek van de moeder om haar vervangende toestemming te verlenen om met [minderjarige] naar Tanzania te verhuizen af te wijzen, bij het hof bekend onder zaaknummer:
200.302.064/01.
2.5.
Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:
- de producties 4 en 5 bij het beroepschrift, ingekomen ter griffie op 15 december 2021.

3.De beoordeling

Rechtsmacht
3.1.
De moeder heeft de Tanzaniaanse nationaliteit en de vader de Nederlandse nationaliteit. [minderjarige] heeft beide nationaliteiten. Het internationale karakter van de zaak vraagt een beoordeling van de rechtsmacht van de Nederlandse rechter. Het hof is, na dit ambtshalve te hebben onderzocht, met de rechtbank van oordeel dat de Nederlandse rechter in deze zaak rechtsmacht heeft.
Inhoudelijke beoordeling
3.2.
Partijen hebben tot begin 2020 een affectieve relatie met elkaar gehad. Uit deze relatie is [minderjarige] geboren. De vader heeft [minderjarige] erkend. Partijen oefenen gezamenlijk het ouderlijk gezag over [minderjarige] uit.
3.3.
Partijen hebben na het beëindigen van de affectieve relatie afspraken gemaakt over de verzorging en opvoeding van [minderjarige] en deze afspraken neergelegd in een ouderschapsplan. Het ouderschapsplan maakt deel uit van de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 11 september 2020. In dit ouderschapsplan zijn partijen – kort weergegeven en voor zover in hoger beroep relevant – overeengekomen dat [minderjarige] haar hoofdverblijfplaats bij de moeder zal hebben, op voorwaarde dat [minderjarige] niet van school zal veranderen. Daarnaast zijn partijen een zorgregeling overeengekomen waarbij [minderjarige] om en om de ene week bij de vader en de andere week bij de moeder verblijft, waarbij het wisselmoment plaatsvindt op zondag om 17:00 uur.
3.4.
De vader heeft van 19 december 2020 tot medio oktober 2021 in Irak gewoond en gewerkt. Aanvankelijk betrof dit een dienstverband voor drie maanden. Op 19 december 2020 is dit dienstverband met twee jaar verlengd. De vader heeft dit dienstverband voortijdig opgezegd en heeft zich in oktober 2021 weer in Nederland gevestigd.
3.5.
Bij de bestreden - uitvoerbaar bij voorraad verklaarde - beschikking heeft de rechtbank de moeder vervangende toestemming verleend om [minderjarige] met ingang van 19 november 2021 in te schrijven op de school Kindcentrum [kindcentrum 1] te [woonplaats moeder] .
3.6.
De vader kan zich met deze beslissing niet verenigen en hij is hiervan in hoger beroep gekomen.
3.7.
De vader voert, samengevat, het volgende aan.
In het ouderschapsplan zijn partijen overeengekomen dat [minderjarige] op haar huidige school in [woonplaats vader] zou blijven en dat de moeder [minderjarige] met de auto van en naar school zou brengen op de dagen dat [minderjarige] bij haar is. De huidige situatie na terugkeer van de vader in Nederland is gelijk aan de situatie in het ouderschapsplan, namelijk een week op week af regeling. De rechtbank heeft dan ook ten onrechte geoordeeld dat het in het belang van [minderjarige] is dat haar sociale leven zich afspeelt in de omgeving van de moeder. De vader heeft ook aangeboden om [minderjarige] met de auto naar school te brengen in de weken dat zij bij de moeder is.
Het is hoe dan ook niet in het belang van [minderjarige] dat zij van school wisselt. In [woonplaats vader] heeft [minderjarige] haar stabiele basis met haar school, vriendjes en vriendinnetjes en de woning van de vader. De school in [woonplaats vader] is daarnaast een betere afspiegeling van de maatschappij en heeft betere uitstroompercentages. Op de huidige school van [minderjarige] stroomt het grootste deel van de leerlingen uit naar het VMBO.
Subsidiair kan de vader zich niet vinden in de door de moeder voorgestelde school. Hij geeft de voorkeur aan Kindcentrum [kindcentrum 2] in [woonplaats moeder] . Deze school heeft betere uitstroompercentages en is gelegen op ongeveer twintig minuten fietsafstand van de woning van de moeder.
3.8.
De moeder voert, samengevat, het volgende aan.
Op 10 januari 2022 is [minderjarige] gestart op haar huidige school in [woonplaats moeder] . Na een wenperiode heeft het [minderjarige] het naar haar zin op deze school.
De moeder heeft een tijdelijke regeling met haar werkgever kunnen treffen dat in de week dat [minderjarige] bij haar is, de moeder thuiswerkt zodat zij [minderjarige] zelf naar school kan brengen. In de week dat [minderjarige] bij de vader is werkt de moeder op kantoor in [plaats] .
Naast praktische bezwaren die aan de schoolgang in [woonplaats vader] kleven, is de moeder van mening dat het in het belang van [minderjarige] is dat zij in de buurt van de woning van de moeder naar school gaat, omdat de moeder de stabiele factor is in het leven van [minderjarige] en de situatie zo meer helpend is voor de moeder om tot rust te komen. Bovendien is de multiculturele school in [woonplaats moeder] beter geschikt voor [minderjarige] dan de witte school in [woonplaats vader] .
De moeder is niet bekend met de school die de vader subsidiair heeft voorgesteld. De moeder heeft destijds geprobeerd te overleggen over de schoolkeuze van [minderjarige] . Omdat het niet mogelijk bleek hierover met de vader te overleggen, heeft de moeder kenbaar gemaakt welke school zij wilde kiezen. De vader heeft hier niet op gereageerd waarop de moeder zich genoodzaakt heeft gezien om vervangende toestemming aan de rechtbank te vragen om [minderjarige] op haar huidige school in te schrijven.
3.9.
De raad heeft tijdens de mondelinge behandeling het volgende geadviseerd. De moeder heeft zich ingespannen om in het belang van [minderjarige] een regeling met haar werkgever te treffen zodat zij in staat is om [minderjarige] naar haar huidige school in [woonplaats moeder] te brengen. In het geval de moeder [minderjarige] naar haar voormalige school in [woonplaats vader] zou moeten brengen of binnen [woonplaats moeder] elke dag twintig minuten moet fietsen om [minderjarige] naar (een andere) school te brengen, wordt het voor de moeder
ingewikkeld. Daarnaast is het de raad niet bekend dat er in [woonplaats moeder] scholen
zijn die niet goed genoeg voor [minderjarige] zijn. Als een school lagere uitstroompercentages heeft, houdt dit vaak verband met de samenstelling van de wijk waarin de school ligt.
Een lager uitstroompercentage wil dan ook niet zeggen dat de school geen goede leerkrachten of geen goed lesprogramma heeft. De raad heeft geen mening of een meer multiculturele school beter is voor [minderjarige] dan een ‘witte’ school.
3.10.
Het hof overweegt als volgt.
Schorsingsverzoek3.10.1. Nu het hof reeds in de hoofdzaak uitspraak doet, heeft de vader geen belang meer bij zijn schorsingsverzoek. Dit verzoek zal derhalve worden afgewezen.
Vervangende toestemming inschrijving school
3.10.2.
Ingevolge artikel 1:253a lid 1 van het Burgerlijk Wetboek kunnen geschillen omtrent de gezamenlijke uitoefening van het ouderlijk gezag aan de rechter worden voorgelegd. De gezamenlijke gezagsuitoefening van partijen brengt mee dat de moeder voor het wijzigen van de school van een kind in beginsel toestemming van de vader behoeft. Indien de ouders het hierover niet eens worden zal de rechter hierover een beslissing nemen. De rechter neemt een zodanige beslissing als hem in het belang van het kind wenselijk voorkomt. Conform vaste rechtspraak dient de rechter bij zijn beslissing in dergelijke geschillen alle omstandigheden van het geval in acht te nemen, wat er in voorkomend geval ook toe kan leiden dat andere belangen zwaarder wegen dan het belang van het kind, hoezeer ook dat belang een overweging van de eerste orde dient te zijn bij de te verrichten afweging van belangen.
3.10.3.
Het hof is van oordeel dat de rechtbank terecht en op juiste gronden, die het hof na een eigen onderzoek en afweging over neemt, aan de moeder vervangende toestemming heeft verleend om [minderjarige] in te schrijven op Kindcentrum [kindcentrum 1] te [woonplaats moeder] . In aanvulling daarop overweegt het hof naar aanleiding wat in hoger beroep is aangevoerd het volgende.
3.10.4.
[minderjarige] gaat inmiddels sinds januari 2022 naar Kindcentrum [kindcentrum 1] in [woonplaats moeder] en de moeder heeft onbetwist gesteld dat het hier goed met haar gaat.
Gelet op de vele wisselingen die [minderjarige] in haar jonge leven al heeft gekend is het niet haar belang om op korte termijn weer van school te moeten veranderen.
Daarnaast kan de moeder [minderjarige] naar haar huidige school halen en brengen, terwijl zij voor het vervoer van [minderjarige] naar de school in [woonplaats vader] van anderen afhankelijk is.
Het is niet gebleken dat de huidige school van [minderjarige] niet passend voor haar is noch dat de school in [woonplaats vader] of de door de vader subsidiair verzochte school Kindcentrum [kindcentrum 2] beter voor haar zijn. Dat deze scholen wellicht betere uitstroompercentages hebben en – volgens de vader – een betere afspiegeling van de maatschappij zouden zijn, doet aan dit oordeel niet af. Zoals de raad terecht heeft gesteld hangen uitstroompercentages doorgaans samen met de samenstelling van de wijk waarin de school ligt en betekenen bepaalde uitstroompercentages dan ook niet dat er minder bekwame leerkrachten lesgeven of het lesprogramma niet van voldoende niveau is.
3.11.
Op grond van het voorgaande zal het hof de beschikking waarvan beroep bekrachtigen.

4.De beslissing

Het hof:
in de zaak met zaaknummer 200.303.939/02:
wijst af het verzoek van de vader tot schorsing van de werking van de tussen partijen gegeven beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 19 november 2021;
in de zaak met zaaknummer 200.303.939/01:
bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 19 november 2021;
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mrs. H. van Winkel, E.L. Schaafsma-Beversluis en E.M.C. Dumoulin en is op 19 mei 2022 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier