De zaak betreft het hoger beroep van de vader tegen de verlenging van de ondertoezichtstelling van zijn twee minderjarige kinderen, die sinds november 2020 onder toezicht staan vanwege een ernstige ontwikkelingsbedreiging. De rechtbank had de ondertoezichtstelling verlengd tot november 2022, maar de vader betwist dit en stelt dat de maatregel geen doel meer dient.
De vader voert aan dat de moeder eigenmachtig de zorgregeling wijzigde en dat de gecertificeerde instelling (GI) onvoldoende regie heeft gevoerd, waardoor het contact tussen vader en kinderen werd gemarginaliseerd. De moeder stelt dat de ondertoezichtstelling zinvol is vanwege de blijvende problemen in de ouderrelatie en de noodzaak van hulpverlening. De GI erkent tekortkomingen in regievoering maar benadrukt de ingezette hulpverlening en de noodzaak van voortzetting.
Het hof overweegt dat hoewel de kinderen nog steeds in hun ontwikkeling worden bedreigd, de ondertoezichtstelling onvoldoende effect heeft gehad en de communicatieproblemen tussen ouders niet zijn opgelost. De GI heeft geen concrete plannen gepresenteerd om de situatie te verbeteren en de rol van de vader is verder gemarginaliseerd. Daarom acht het hof verlenging niet langer zinvol en vernietigt de beschikking van de rechtbank, wijzend het verzoek van de GI af.