ECLI:NL:GHSHE:2022:1759
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bekrachtiging weigering toelating schuldsaneringsregeling wegens gebrek aan goede trouw en beheersbaarheid psychosociale problematiek
Appellant heeft in eerste aanleg verzocht om toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling, waarbij een schuldenlast van ruim €37.000 werd verklaard. De rechtbank wees het verzoek af omdat niet aannemelijk was dat appellant te goeder trouw was ten aanzien van het onbetaald laten van zijn schulden in de vijf jaar voorafgaand aan het verzoek. Dit betrof met name schulden die waren ontstaan door het niet gebruiken van een lening voor het beoogde doel en het ontstaan van een leasemaatschappijschuld, mede in verband met het ontslag van appellant na het starten van een eigen onderneming.
In hoger beroep voerde appellant aan dat hij niet wist of had moeten weten dat hij de schulden niet kon terugbetalen en dat hij inmiddels onder financieel toezicht staat en zich inspant om zijn schulden af te lossen. Tevens stelde hij dat zijn psychosociale problematiek beheersbaar is of zal worden, en dat de hardheidsclausule toegepast zou moeten worden.
Het hof oordeelde dat onvoldoende aannemelijk is dat appellant te goeder trouw was bij het ontstaan van zijn schulden, mede vanwege fiscale schulden die niet te goeder trouw zijn ontstaan. Daarnaast is zijn psychosociale problematiek niet voldoende beheersbaar gebleken, aangezien een verklaring van een deskundige ontbreekt en de behandeling recent is gestart. De hardheidsclausule kon niet worden toegepast omdat appellant niet voldoet aan de voorwaarden voor nakoming van verplichtingen uit de schuldsaneringsregeling.
Het hof bekrachtigt daarom het vonnis van de rechtbank en wijst het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling af.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt het vonnis en wijst het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling af wegens onvoldoende goede trouw en beheersbaarheid van psychosociale problematiek.