Uitspraak
GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH
1.Het geding in eerste aanleg
2.Het geding in hoger beroep
3.De feiten
.
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Partijen hadden een affectieve relatie van 2011 tot 2015 en zijn ouders van een minderjarige met hoofdverblijf bij de vrouw. In een ouderschapsplan en latere beschikking werd vastgesteld dat de man kinderalimentatie betaalt, met jaarlijkse indexering.
De man verzocht de kinderalimentatie met terugwerkende kracht vanaf 1 januari 2017 en vanaf 1 augustus 2021 te verlagen naar €25,- per maand, vanwege verlies van inkomen en werkloosheid. De vrouw betwistte de langdurige ongeschiktheid tot werken en stelde dat de man verwijtbaar werkloos is.
Het hof oordeelde dat er geen bewijs is voor een eerdere afspraak over aanpassing en dat de vrouw niet kon verwachten dat de alimentatie met terugwerkende kracht zou wijzigen. De ingangsdatum van 1 oktober 2020 blijft gehandhaafd. Daarnaast concludeerde het hof dat de man vanaf 1 augustus 2021 in staat was te werken en geen objectieve reden voor inkomensverlies heeft gegeven, waardoor het verzoek voor wijziging vanaf die datum werd afgewezen.
De beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 18 mei 2021 wordt bekrachtigd en het verzoek van de man tot wijziging van de kinderalimentatie wordt afgewezen.
Uitkomst: Het hof wijst het verzoek tot wijziging van de kinderalimentatie af en bekrachtigt de eerdere beschikking.