Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHSHE:2022:1771

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
2 juni 2022
Publicatiedatum
2 juni 2022
Zaaknummer
200.299.024_01
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:378 BWArt. 1:379 BWArt. 1:389 BWArt. 1:390 BWArt. 1:391 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Opheffing ondercuratelestelling wegens positieve ontwikkeling en vrijwillige hulpverlening

De onder curatele gestelde was door de rechtbank Oost-Brabant onder curatele gesteld vanwege haar lichamelijke en geestelijke toestand die haar vermogen om haar belangen te behartigen ernstig belemmerde. De curatele werd ingesteld omdat zij grensoverschrijdend gedrag vertoonde en zich onttrok aan noodzakelijke hulpverlening, wat haar veiligheid in gevaar bracht.

In hoger beroep stelde de onder curatele gestelde dat zij inmiddels een positieve ontwikkeling heeft doorgemaakt, mede dankzij een vertrouwensband met hulpverleners bij een jongerenopvang. Zij verblijft daar sinds zeven maanden en toont een groei in zelfredzaamheid en begeleidbaarheid. De gecertificeerde instelling betoogde dat zij nog steeds geen weloverwogen keuzes kan maken en een curator nodig is om dwangbehandeling te waarborgen.

Het hof oordeelde dat de curatele destijds terecht was ingesteld, maar dat de onder curatele gestelde nu voldoende heeft aangetoond dat voortzetting niet langer noodzakelijk is. De hulpverlening verloopt nu vrijwillig en naar tevredenheid, en er zijn geen recente situaties waarin de curator hulp heeft moeten bieden. Ook is geen aanleiding voor een minder verstrekkende maatregel zoals bewind of mentoraat. Daarom wordt de ondercuratelestelling met ingang van heden opgeheven.

Uitkomst: De ondercuratelestelling wordt opgeheven wegens positieve ontwikkeling en vrijwillige hulpverlening.

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Team familie- en jeugdrecht
Uitspraak: 2 juni 2022
Zaaknummer: 200.299.024/01
Zaaknummer eerste aanleg: 9205783 TD VERZ 21-620
in de zaak in hoger beroep van:
[verzoeker],
wonende op een bij het hof bekend adres
,
verzoeker in hoger beroep,
hierna te noemen: de onder curatele gestelde,
advocaat: mr. M.A. van de Weerd,
tegen
Stichting Leger des Heils,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
verweerder in hoger beroep,
hierna te noemen: de Gecertificeerde Instelling (GI),
Als belanghebbende in deze zaak wordt aangemerkt:
[BV] ( [BV] ) BV,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
hierna te noemen: de curator.

1.Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats 's-Hertogenbosch, van 26 mei 2021, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2.Het geding in hoger beroep

2.1.
Bij beroepschrift met productie, ingekomen ter griffie op 29 september 2021, heeft de onder curatele gestelde verzocht voormelde beschikking te vernietigen en - zo begrijpt het hof - het verzoek tot ondercuratelestelling alsnog af te wijzen.
2.2.
Bij verweerschrift met productie, ingekomen ter griffie op 17 december 2021, heeft de GI verzocht de bestreden beschikking te bekrachtigen en het verzoek in hoger beroep niet ontvankelijk te verklaren, dan wel af te wijzen.
2.3.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 21 april 2021. Bij die gelegenheid zijn gehoord:
  • de onder curatele gestelde, bijgestaan door mr. M.A. van de Weerd;
  • [vertegenwoordiger van de GI] namens de GI.
2.3.1.
De curator is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet op de mondelinge behandeling verschenen.
2.4.
Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:
  • de brief van 6 oktober 2021 van de zijde van de curator,
  • de brief van 28 oktober 2021 van de zijde van de onder curatele gestelde, met bijlagen;
  • de brief van 29 november 2021 van de zijde van de curator,
  • de brief van 8 april 2022 van de zijde van de onder curatele gestelde, waarin hij de gronden van zijn hoger beroep aanvult, met bijlagen;
  • het V6-formulier van 11 april 2022 van de zijde van de onder curatele gestelde, met bijlage.

3.De beoordeling

De feiten
3.1.
Bij beschikking van 26 mei 2021 heeft de kantonrechter van de rechtbank Oost-Brabant, [verzoeker] , geboren op [geboortedatum] 2003 te [geboorteplaats] , onder curatele gesteld met ingang van de dag waarop zij meerderjarig zou worden, met benoeming van [BV] B.V. tot curator.
3.2.
De onder curatele gestelde kan zich met deze beslissing niet verenigen en zij is hiervan in hoger beroep gekomen.
De standpunten
3.3.
De onder curatele gestelde voert in het beroepschrift, zoals aangevuld tijdens de mondelinge behandeling, het volgende aan.
De onder curatele gestelde begrijpt dat zij een jaar geleden onder curatele is gesteld, maar zij laat weten dat het haar inmiddels is gelukt om haar leven op het goede spoor te brengen. Nadat zij met de juiste hulp in contact is gekomen, waardoor zij op waarde werd geschat en zij voelde dat zij serieus werd genomen, is een vertrouwensband tot stand gekomen en kon kwalitatieve hulpverlening worden opgestart. Deze vertrouwensband ontbrak bij de GI en de curator en zal ook in de toekomst niet meer tot stand komen. Sinds ongeveer zeven maanden verblijft de onder curatele gestelde bij jongerenopvang “ [opvang] ” in [plaats] , waar zij kan blijven totdat zij zal doorstromen naar een beschermde woonvorm. De reeds ingeschakelde hulp zal ook nadat de onder curatele gestelde is doorgestroomd naar haar eigen plek betrokken blijven. De mentor vanuit de jongerenopvang ziet de afgelopen maanden een positieve groei naar zelfredzaamheid en een goede begeleidbare opstelling van de onder curatele gestelde. Dit wordt ook door de maatschappelijk werkster van [instantie] gezien. De onder curatele gestelde meent dat zij met de opgestarte hulpverlening haar belangen behoorlijk kan waarnemen en dat zij niet meer met persoonlijke omstandigheden te maken heeft die een ondercuratelestelling noodzakelijk maken. Van onttrekking aan hulpverlening is geen sprake meer en ook maakt zij geen keuzes meer die in strijd zijn met haar ontwikkeling en veiligheid.
3.4.
De GI voert daartegen het volgende aan. De GI maakt zich zorgen over het welzijn van de onder curatele gestelde omdat zij geen weloverwogen keuzes kan maken, ook met betrekking tot haar financiën. De onder curatele gestelde lijkt de gevolgen van haar keuzes niet te kunnen overzien, waardoor zij haar eigen veiligheid in het geding brengt. Zij kan zich niet vinden in de gestelde diagnoses en zoekt de grenzen op door grensoverschrijdend gedrag te laten zien. Een curator is nodig om behandeling in te zetten, omdat de onder curatele gestelde niet intrinsiek gemotiveerd is om zich onder behandeling te laten stellen en zij zich zonder de curatele zal onttrekken aan de hulpverlening.
3.5.
De curator heeft bij voornoemde brief van 29 november 2021 laten weten geen verweer te zullen voeren als het hof van oordeel is dat de ondercuratelestelling niet meer noodzakelijk is.
De motivering van de beslissing
3.6.
Ingevolge artikel 1:378, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan een meerderjarige door de rechter onder curatele worden gesteld wanneer hij tijdelijk of duurzaam zijn belangen niet behoorlijk waarneemt of zijn veiligheid of die van anderen in gevaar brengt, als gevolg van:
a. zijn lichamelijke of geestelijke toestand, dan wel;
b. gewoonte van drank- of drugsmisbruik,
en een voldoende behartiging van die belangen niet met een meer passende en minder verstrekkende voorziening kan worden bewerkstelligd.
3.7.
Ingevolge artikel 1:389, tweede lid, BW kan de kantonrechter de curatele opheffen, indien de noodzaak daartoe niet meer bestaat of voortzetting van de curatele niet zinvol is gebleken, zulks op verzoek van de curator of degene die gerechtigd is de curatele te verzoeken als bedoeld in artikel 1:379 BW Pro, alsmede ambtshalve.
3.8.
Het hof is van oordeel dat voldoende is komen vast te staan dat ten tijde van het inleidende verzoek de onder curatele gestelde als gevolg van haar lichamelijke of geestelijke toestand niet in staat was ten volle haar vermogensrechtelijke en niet-vermogensrechtelijke belangen behoorlijk waar te nemen en dat de curatele op dat moment door de kantonrechter terecht is ingesteld. Het hof overweegt hiertoe dat er grote zorgen waren over het welzijn van de onder curatele gestelde, omdat sprake was van fors grensoverschrijdend gedrag en de onder curatele gestelde zich onttrok aan de hulpverlening, waardoor zij haar eigen veiligheid in gevaar bracht.
3.9.
Het hof is van oordeel dat de onder curatele gestelde voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat voortzetting van de curatele niet langer noodzakelijk is. Uit de overgelegde verklaringen van de mentor van de jongerenopvang en de maatschappelijk werkster blijkt dat de onder curatele gestelde sinds enkele maanden een positieve groei doormaakt naar zelfredzaamheid en dat zij zich begeleidbaar opstelt en de afspraken met de hulpverlening nakomt. De onder curatele gestelde onttrekt zich dus niet langer aan de hulpverlening, al wil zij wel haar eigen pad bewandelen en enige inspraak hebben in het verloop van de hulpverlening. De samenwerking met de betrokken hulpverleners verloopt op dit moment naar ieders tevredenheid. Het hof is van oordeel dat de hulpverlening in een vrijwillig kader inmiddels de voorkeur verdient ten opzichte van het dwangkader van een curatele en ziet, gelet op de positieve ontwikkeling, aanleiding om de curatele met ingang van heden op te heffen. Het hof neemt bij zijn beslissing tevens in aanmerking dat gesteld noch gebleken is dat zich het afgelopen jaar situaties hebben voorgedaan waarbij de curator hulp heeft geboden en dat de curator ook geen informatie heeft verstrekt die zou moeten leiden tot een ander oordeel. Ten slotte overweegt het hof dat de betrokken instanties als vangnet kunnen dienen, indien dit nodig mocht zijn.
3.10.
De vraag die vervolgens voorligt is of een minder verstrekkende maatregel zoals bewind of mentoraat nodig is. Zoals hiervoor is overwogen, is gesteld noch gebleken dat sinds de instelling van de curatele zich situaties hebben voorgedaan waarvoor de maatregel nodig is geweest, zodat het hof ook voor bewind of mentoraat geen aanleiding ziet.

4.De beslissing

Het hof:
vernietigt de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats 's-Hertogenbosch, van 26 mei 2021, voor zover het betreft de periode vanaf heden;
en in zoverre opnieuw rechtdoende:
heft de ondercuratelestelling van [verzoeker] , geboren op [geboortedatum] 2003 te [geboorteplaats] , wonende op een bij het hof bekend adres, met ingang van heden op;
bepaalt dat de curator binnen twee maanden na de datum van deze uitspraak de eindrekening en -verantwoording aflegt aan de onder curatele gestelde en een - zo mogelijk door haar voor akkoord ondertekend - exemplaar ervan aan het Bewindsbureau van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats 's-Hertogenbosch, overlegt;
bepaalt dat deze uitspraak, tot opheffing van de ondercuratelestelling, binnen tien dagen nadat deze ten uitvoer kan worden gelegd, op de voet van artikel 1:390 BW Pro vanwege de griffier in de Staatscourant bekend wordt gemaakt in de Staatscourant;
verzoekt de griffier krachtens het bepaalde in artikel 1:391 BW Pro een afschrift van deze uitspraak toe te zenden aan de griffier van de rechtbank Oost-Brabant, in verband met aantekening in het Centraal curatele- en bewindregister.
bekrachtigt de beschikking waarvan beroep voor het overige;
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mrs. H. van Winkel, C.D.M. Lamers en L.N. Geerman en is op 2 juni 2022 in het openbaar uitgesproken door mr. A.M. Bossink in tegenwoordigheid van de griffier.