Partijen, voormalige partners met drie kinderen, zijn contractuele medehuurders van een woning. Na beëindiging van hun relatie vorderde de vrouw in kort geding het alleenrecht op de huurwoning, stellende dat de situatie onveilig was door agressief gedrag en drugsgebruik van de man.
De voorzieningenrechter wees dit toe en bepaalde dat de man de woning binnen twee weken moest verlaten. De man ging in hoger beroep tegen dit vonnis en betwistte de stellingen van de vrouw, onderbouwde zijn tegenverweer met bewijsstukken en stelde dat de vrouw onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat er sprake was van een onveilige situatie.
Het hof oordeelde dat de vrouw onvoldoende concrete feiten had gesteld ter onderbouwing van haar vorderingen en dat de man gemotiveerd had betwist. Het hof vernietigde het vonnis en wees de vorderingen van de vrouw af, waardoor beide partijen het recht behouden om de woning te gebruiken. Het hof benadrukte tevens de noodzaak voor partijen om afspraken te maken over de zorg voor de kinderen en verwees naar de mogelijkheden bij de gemeente.