Belanghebbende, een uitzendbureau dat buitenlandse arbeidskrachten werft en huisvesting aanbiedt, bracht de omzetbelasting over de huur van deze onderkomens in aftrek. De inspecteur stelde dat deze aftrek op grond van het Besluit uitsluiting aftrek omzetbelasting 1968 (BUA) niet is toegestaan en legde een naheffingsaanslag op. Na bezwaar en beroep bij de rechtbank en het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, werd het hoger beroep ongegrond verklaard. De Hoge Raad vernietigde dit arrest en verwees de zaak naar het hof 's-Hertogenbosch.
Het hof oordeelt dat belanghebbende onvoldoende bewijs heeft geleverd dat het huren van onderkomens primair wordt opgeroepen door bijzondere behoeften van de onderneming. De overgelegde stukken betreffen andere perioden en zijn onvoldoende onderbouwd. De directeur van belanghebbende kon zijn stellingen tijdens de zitting niet met bewijs ondersteunen. Bovendien konden uitzendkrachten het aangeboden onderkomen weigeren zonder vergoeding, wat wijst op een persoonlijke keuze.
Daarom is de aftrek van omzetbelasting terecht uitgesloten op grond van artikel 1, lid 1, letter c, BUA. Het hof bevestigt de uitspraak van de rechtbank en verklaart het hoger beroep ongegrond. Er wordt geen proceskostenveroordeling uitgesproken en het griffierecht wordt niet vergoed.