ECLI:NL:GHSHE:2022:1961

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
14 juni 2022
Publicatiedatum
21 juni 2022
Zaaknummer
20-001925-21
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 Wegenverkeerswet 1994Art. 5 Wegenverkeerswet 1994Art. 8 lid 5 Wegenverkeerswet 1994Art. 416 tweede lid Wetboek van Strafvordering
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid hoger beroep wegens ontbreken van grieven in verkeersovertredingszaak

In deze strafzaak stond de verdachte terecht voor overtredingen van de Wegenverkeerswet 1994, waaronder het veroorzaken van een ongeval met lichamelijk letsel en het rijden in een toestand als bedoeld in artikel 8, vijfde lid, van de Wegenverkeerswet. De politierechter veroordeelde de verdachte tot een gevangenisstraf van drie weken, waarvan twee voorwaardelijk, een proeftijd van twee jaar, een ontzegging van de rijbevoegdheid voor zes maanden en een geldboete.

Tegen dit vonnis stelde de verdachte hoger beroep in. Het hof heeft het dossier bestudeerd en kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal om het hoger beroep niet-ontvankelijk te verklaren op grond van artikel 416, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering.

Het hof constateerde dat de verdachte geen schriftelijke grieven heeft ingediend noch mondeling bezwaren heeft geuit tijdens de terechtzitting. Ook was er geen gemachtigde advocaat die dit namens hem deed. Hierdoor ontbraken de vereiste grieven die noodzakelijk zijn voor de ontvankelijkheid van het hoger beroep.

Het hof oordeelde dat er geen reden was om af te wijken van deze regel en verklaarde het hoger beroep niet-ontvankelijk. Daarmee bleef het vonnis van de politierechter in stand. De uitspraak werd op 14 juni 2022 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

Uitkomst: Het hoger beroep van verdachte is niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van grieven.

Uitspraak

Parketnummer : 20-001925-21
Uitspraak : 14 juni 2022
VERSTEK (DNIP)

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 26 juli 2021 in de in eerste aanleg gevoegde strafzaken met parketnummers 03-098036-21 en 03-098188-21, tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1997,
wonende te [adres] .
Hoger beroep
Bij vonnis waarvan beroep is de verdachte ter zake van overtreding van artikel 6 van Pro de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander lichamelijk letsel wordt toegebracht en terwijl de schuldige verkeerde in de toestand bedoeld in artikel 8, vijfde lid, van deze wet (parketnummer 03-098036-21, primair) en overtreding van het bepaalde in artikel 5 Wegenverkeerswet Pro 1994 (parketnummer 03-098188-21, primair) veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 weken, waarvan 2 weken voorwaardelijk en een proeftijd van 2 jaren en een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 6 maanden (parketnummer 03-098036-21) en een geldboete ter hoogte van
€ 750,00, subsidiair 15 dagen hechtenis en een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 6 maanden (parketnummer 03-098188-21).
Namens de verdachte is tegen dit vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof de verdachte niet-ontvankelijk zal verklaren in het hoger beroep op grond van het bepaalde in artikel 416 tweede Pro lid van het Wetboek van Strafvordering.
Ontvankelijkheid van het hoger beroep
Het hof is van oordeel dat het door de verdachte ingestelde hoger beroep niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, nu de verdachte geen schriftuur houdende grieven heeft ingediend, noch mondeling (of via een gemachtigd advocaat) bezwaren tegen het vonnis heeft opgegeven en het hof niet van oordeel is dat de strafzaak desalniettemin onderzocht dient te worden. Het hof zal daarom toepassing geven aan het bepaalde in artikel 416, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering en het door de verdachte ingestelde hoger beroep niet-ontvankelijk verklaren.

BESLISSING

Het hof:
verklaart het door de verdachte ingestelde hoger beroep niet-ontvankelijk.
Aldus gewezen door:
mr. J. Platschorre, voorzitter,
mr. J.T.F.M. van Krieken en mr. S. Taalman, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. L.C.J.M. Hillebrandt, griffier,
en op 14 juni 2022 ter openbare terechtzitting uitgesproken.