In hoger beroep heeft het gerechtshof 's-Hertogenbosch het vonnis van de politierechter bevestigd waarbij verdachte werd veroordeeld voor het opzettelijk en wederrechtelijk gebruik van een niet op zijn naam gesteld identiteitsbewijs en witwassen. Het hof verving de bewijsvoering van de politierechter en motiveerde de bewezenverklaring aan de hand van de feiten en omstandigheden.
De verdachte werd staande gehouden in een woonwijk in ’s-Hertogenbosch terwijl hij reed in een BMW. Hij overhandigde een rijbewijs op naam van een ander en er werd een gripzakje met hasj in de auto aangetroffen. Bij zijn vluchtpoging gooide hij biljetten van €50 weg, in totaal werd €4.455,60 aangetroffen. De verdachte gaf een verklaring over de herkomst van het geld, namelijk dat het van zijn zus was, afkomstig uit de verkoop van een Audi. Deze verklaring werd door het hof echter niet als concreet, verifieerbaar en aannemelijk beoordeeld.
Het hof overwoog dat het openbaar ministerie voldoende feiten en omstandigheden had aangedragen die het vermoeden rechtvaardigen dat het geld uit enig misdrijf afkomstig is. De verklaring van verdachte gaf onvoldoende aanleiding tot nader onderzoek. Gezien de omstandigheden en het bewijs concludeerde het hof dat het niet anders kan zijn dan dat het geldbedrag afkomstig is uit een misdrijf en dat verdachte hiervan op de hoogte was.
De strafmaat bleef een gevangenisstraf van 3 maanden en het in beslag genomen geld werd verbeurd verklaard. Het arrest werd op 19 januari 2022 uitgesproken door de meervoudige kamer van het gerechtshof 's-Hertogenbosch.