ECLI:NL:GHSHE:2022:2127

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
30 juni 2022
Publicatiedatum
30 juni 2022
Zaaknummer
200.307.871_01
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 806 RvArt. 1:265b BWArt. 1:265c BWArt. 8 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vader niet-ontvankelijk in hoger beroep tegen beschikking uithuisplaatsing minderjarige

De zaak betreft een hoger beroep van de vader tegen beschikkingen van de rechtbank Limburg inzake de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing van zijn minderjarige kind. De vader stelde het hoger beroep te laat in tegen de beschikking van 2 december 2021, waardoor het hof hem niet-ontvankelijk verklaarde in dat beroep.

De vader betwistte de noodzaak van de uithuisplaatsing en stelde dat de moeder met ondersteuning goed voor het kind kan zorgen. Hij wilde samen met de moeder co-ouderschap realiseren. De gecertificeerde instelling (GI) en de moeder onderschreven dat het kind sinds 22 april 2022 weer thuis woont, maar de uithuisplaatsing was tot die datum op goede gronden verlengd.

Het hof overwoog dat het belang van de vader om in hoger beroep te procederen blijft bestaan ondanks het verlopen van de machtigingstermijn, vanwege het recht op gezinsleven. Na beoordeling van de feiten en het juridische kader concludeerde het hof dat de wettelijke vereisten voor uithuisplaatsing op het moment van de bestreden beschikking waren voldaan en bekrachtigde het de beschikking van 25 februari 2022.

Uitkomst: Vader werd niet-ontvankelijk verklaard in hoger beroep tegen beschikking van 2 december 2021; beschikking van 25 februari 2022 werd bekrachtigd.

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Team familie- en jeugdrecht
Uitspraak : 30 juni 2022
Zaaknummer : 200.307.871/01
Zaaknummer 1e aanleg : C/03/297645 / JE RK 21-2082
in de zaak in hoger beroep van:
[de vader],
wonende te [woonplaats] ,
verzoeker in hoger beroep,
hierna te noemen: de vader,
advocaat: mr. L. Windhorst,
tegen
Stichting Bureau Jeugdzorg Limburg,
gevestigd te [vestigingsplaats] en mede kantoorhoudende te [kantoorplaats] ,
verweerster in hoger beroep,
hierna te noemen: de GI (gecertificeerde instelling).
Deze zaak gaat over de minderjarige [minderjarige] (hierna: [minderjarige] ), geboren op [geboortedatum] 2016 te [geboorteplaats] .
Als belanghebbende wordt aangemerkt:
- [de moeder] , hierna te noemen: de moeder,
advocaat mr. L.C.A. Diederen.
In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) is in de procedure gekend:
de Raad voor de Kinderbescherming,
hierna te noemen: de raad.

1.Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikkingen van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 2 december 2021 en 25 februari 2022, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2.Het geding in hoger beroep

2.1.
Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 11 maart 2022, heeft de vader verzocht voormelde beschikkingen geheel of ten dele te vernietigen en opnieuw rechtdoende te beslissen als het hof juist toeschijnt.
2.2.
Bij verweerschrift met producties, ingekomen ter griffie op 17 mei 2022, heeft de moeder verzocht het door de vader ingestelde hoger beroep toe te wijzen, althans een beslissing te nemen die het hof geraden acht.
2.3.
De GI heeft op 20 mei 2022 een verweerschrift bij het hof ingediend, dat strekt tot bekrachtiging van de bestreden beschikkingen, zo begrijpt het hof.
2.4.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 8 juni 2022. Bij die gelegenheid is [vertegenwoordiger van de GI] namens de GI gehoord.
De vader en zijn advocaat zijn, hoewel behoorlijk opgeroepen, zonder kennisgeving vooraf niet op de mondelinge behandeling verschenen. De advocaat van de vader heeft daarbij kennelijk wel zijn cliënt hiervan op de hoogte gesteld, maar hij is (grovelijk) nalatig geweest het hof hierover te informeren. De GI heeft hierover tijdens de mondelinge behandeling nog meegedeeld dat zij van de vader had vernomen dat de zaak op de stukken zou worden afgedaan, maar dat zij bij navraag hierover bij het hof, niet anders heeft gehoord dan dat de mondelinge behandeling doorgang zou vinden. De moeder en haar advocaat zijn met bericht vooraf d.d. 1 juni 2022 evenmin verschenen.
Ook de raad is met kennisgeving vooraf d.d. 11 mei 2022 niet op de mondelinge behandeling verschenen.
2.5.
Het hof heeft verder kennisgenomen van de inhoud van het emailbericht van de advocaat van de moeder van 1 juni 2022.

3.De beoordeling

3.1.
Uit de inmiddels verbroken relatie van de moeder en de vader is [minderjarige] geboren.
3.2.
[minderjarige] staat sinds 14 december 2018 onder toezicht van de GI. Hij is op grond van een daartoe strekkende machtiging sinds 19 augustus 2020 (deeltijd) uit huis geplaatst in een pleeggezin.
Bij beschikking van 22 juli 2021 heeft de kinderrechter machtiging verleend tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder met ingang van 22 juli 2021 tot 14 december 2021. In het kader van deze machtiging is [minderjarige] op 30 juli 2021 geplaatst bij de observatie- en diagnostiekgroep [groep] .
3.3.
Bij de bestreden – uitvoerbaar bij voorraad verklaarde – beschikking van 2 december 2021 heeft de rechtbank de ondertoezichtstelling van [minderjarige] met ingang van 14 december 2021 verlengd tot 14 december 2022 en tevens de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder met ingang van 14 december 2021 verlengd tot uiterlijk 14 maart 2022. Iedere verdere beslissing op het verzoek van de GI tot verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] is aangehouden tot de mondelinge behandeling van de rechtbank op 11 februari 2022.
3.4.
Bij de bestreden – uitvoerbaar bij voorraad verklaarde – beschikking van 25 februari 2022 heeft de rechtbank de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder met ingang van 14 maart 2022 verlengd tot 22 april 2022 en het verzoek van de GI voor het overige afgewezen.
3.5.
[minderjarige] woont sinds 22 april 2022 weer thuis bij de moeder.
3.6.
De vader kan zich met de onder 3.4 en 3.5. vermelde beschikkingen niet verenigen en hij is hiervan in hoger beroep gekomen.
3.7.
Aan de orde is op de eerste plaats de vraag of de vader het hoger beroep tegen de beschikking van 2 december 2021 op tijd heeft ingesteld.
Het hof overweegt hierover als volgt.
3.7.1.
Ingevolge lid 1 sub a van artikel 806 Rv Pro kan in de onderhavige zaak hoger beroep worden ingesteld door de verzoeker en degene aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak.
3.7.2.
Vast staat dat aan de vader een afschrift van de bestreden beschikking is verzonden. De vader geeft immers in het beroepschrift aan dat hij de beschikking op 16 december 2021 heeft ontvangen.
Gelet op het hiervoor genoemde artikellid had de vader uiterlijk op 2 maart 2022 hoger beroep moeten instellen. Het beroepschrift van de vader is door de griffie van het hof pas ontvangen op 11 maart 2022, dus na het verstrijken van de beroepstermijn. Gesteld noch gebleken is dat de termijnoverschrijding in dit geval verschoonbaar is.
Voor zover de advocaat van de vader heeft bedoeld te betogen dat de beroepstermijn pas op 16 november 2021 is aangevangen en dus op 11 maart 2022 nog niet was verstreken, wordt dit betoog verworpen, omdat voor deze stelling geen enkele steun wordt gevonden in artikel 806 lid 1 sub a Rv Pro. De beroepstermijn is ingevolge dit artikellid namelijk al gaan lopen op de dag na de uitspraak.
Ook het argument van de advocaat dat de zaak (met één zaaknummer) is aangehouden tot 11 februari 2022 snijdt geen hout. De beschikking van 2 december 2021 is een deelbeschikking. De beslissing van de rechtbank om de ondertoezichtstelling te verlengen met ingang van 14 december 2021 tot 14 december 2022 en de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] te verlengen tot uiterlijk 14 maart 2022 is een eindbeschikking, waartegen in een geval als dit binnen drie maanden na de dag van de uitspraak hoger beroep moet worden ingesteld.
Uit het voorgaande volgt dat de vader niet-ontvankelijk zal worden verklaard in het door hem ingestelde hoger beroep tegen de beschikking van de rechtbank van 2 december 2021.
3.8.
Het hof zal nu het hoger beroep van de vader tegen de beschikking van de rechtbank van 25 februari 2022 bespreken.
3.8.1.
De vader voert in dit hoger beroep - kort samengevat - het volgende aan.
Er is geen noodzaak voor een uithuisplaatsing van [minderjarige] . Met ondersteuning is de moeder goed in staat om voor [minderjarige] te zorgen. De uithuisplaatsing is traumatisch geweest voor [minderjarige] . Hij is mishandeld in het pleeggezin.
De vader wil de moeder ondersteunen en hij wil samen met haar in een co-ouderschap voor [minderjarige] zorgen. Het gaat goed met de vader en hij heeft een geschikte woning. De vader is op dit moment onvoldoende in beeld.
3.8.2.
De GI heeft - kort samengevat - aangevoerd dat de uithuisplaatsing van [minderjarige] op goede gronden is verlengd tot 22 april 2022. Sinds die datum is [minderjarige] thuisgeplaatst bij de moeder.
De jeugdzorgwerker heeft een goede samenwerking met de vader. De vader neemt haar adviezen aan. De moeder heeft in de thuissituatie opvoedondersteuning door Anacare. Zij heeft ook persoonlijke hulp bij Mondriaan en binnenkort krijgt zij met een WMO-indicatie hulp bij praktische zaken.
3.8.3.
De moeder heeft - kort samengevat - het volgende aangevoerd.
De moeder is het eens met het hoger beroep van de vader.
De moeder vindt het in het belang van [minderjarige] dat de vader als co-ouder een grotere rol gaat spelen in zijn leven. De moeder wil alleen contact met de vader als co-ouder.
3.8.4.
Het hof overweegt het volgende.
De periode waarvoor de bij de bestreden beschikking verleende machtiging tot uithuisplaatsing is gegeven, is inmiddels verstreken. Gelet op het door artikel 8 EVRM Pro gewaarborgde recht op eerbiediging van zijn gezinsleven, heeft de vader een rechtens relevant belang om in hoger beroep te laten beoordelen of de machtiging terecht is gegeven en behoort aan hem niet zijn procesbelang te worden ontzegd op de enkele grond dat de periode waarvoor de maatregel gold, inmiddels is verstreken.
Bij de hiervoor bedoelde beoordeling van de machtiging tot uithuisplaatsing gaat het hof uit van de situatie ten tijde van de beslissing van de rechtbank en van de gegevens waarover de rechtbank beschikte, met inachtneming van het in hoger beroep gevoerde debat
(HR 18 maart 2022, ECLI:NL:HR:2022:395).
3.8.5.
Ingevolge artikel 1:265b lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechter de gecertificeerde instelling, bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet, die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, op haar verzoek machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid.
Op grond van artikel 1:265c lid 2 BW kan de rechter, mits aan de grond, bedoeld in artikel 1:265b lid 1 BW is voldaan, de duur van de machtiging uithuisplaatsing telkens verlengen met ten hoogste een jaar.
3.8.6.
Evenals de rechtbank en op dezelfde gronden als de rechtbank, die het hof na eigen onderzoek en waardering overneemt en tot de zijne maakt, is het hof van oordeel dat ten tijde van de bestreden beschikking nog steeds voldaan werd aan de wettelijke vereisten van artikel 1:265b BW.
3.8.7.
Het voorgaande leidt ertoe dat de bestreden beschikking van 25 februari 2022 dient te worden bekrachtigd.

4.De beslissing

Het hof:
verklaart de vader niet-ontvankelijk in het hoger beroep tegen de beschikking van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 2 december 2021;
bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van
25 februari 2022.
Deze beschikking is gegeven door mrs. J.F.A.M. Graafland-Verhaegen, A.M. Bossink en E.P. de Beij en is op 30 juni 2022 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.