Verdachte werd door de politierechter veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf en een gebieds- en locatieverbod wegens het wederrechtelijk binnendringen in een gemeentelijk gebouw. Tegen dit vonnis stelde verdachte hoger beroep in.
Het hof verving de bewijsvoering en oordeelde dat het lokaalverbod rechtmatig was opgelegd door de gemeente en dat het binnendringen tegen de onmiskenbare wil van de rechthebbende was. De verdediging voerde psychische overmacht aan, stellende dat verdachte onder extreme druk handelde na jarenlange conflicten met de gemeente, maar het hof verwierp dit verweer omdat geen sprake was van een acute, onweerstaanbare drang.
Gezien de ernst van het feit, de persoon van verdachte en eerdere veroordelingen, achtte het hof een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van één week passend. Het hof vernietigde de straf en maatregel van het vonnis waarvan beroep en deed in zoverre opnieuw recht, waarbij het overige van het vonnis werd bevestigd.