Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHSHE:2022:2252

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
7 juli 2022
Publicatiedatum
7 juli 2022
Zaaknummer
200.288.340_01
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:5 lid 1 BWArt. 1:20 lid 1 BWArt. 1:20e lid 1 BWArt. 1:20a lid 1 BWArt. 1:99 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontkenning van het door het huwelijk ontstane vaderschap van drie minderjarigen

In deze zaak stond het verzoek tot ontkenning van het door het huwelijk met de moeder ontstane vaderschap van drie minderjarige kinderen centraal. De moeder had haar verzoek niet tijdig ingediend binnen een jaar na geboorte, waardoor zij niet-ontvankelijk werd verklaard. De bijzondere curator nam het verzoek namens de minderjarigen over en diende het tijdig in op grond van artikel 1:200 lid 6 BW Pro.

De bijzondere curator stelde dat het evident was dat de man niet de biologische vader van de kinderen was, wat door het hof werd bevestigd. De vrouw had verklaard dat zij de man sinds haar vlucht uit Somalië in 2005 niet meer had gezien en dat de kinderen een andere biologische vader hebben. Er was geen aanwijzing dat de man tijdens de conceptieperiode in Nederland was of in het leven van de vrouw.

Het hof oordeelde dat het belang van de minderjarigen vereist dat de juridische situatie wordt aangepast aan de biologische werkelijkheid. Daarom werd het verzoek van de bijzondere curator tot ontkenning van het vaderschap toegewezen. Vanaf het moment dat de ontkenning in kracht van gewijsde gaat, dragen de minderjarigen de naam van de vrouw en staan zij alleen nog in familierechtelijke betrekking tot haar.

Uitkomst: Het hof wijst het verzoek tot ontkenning van het door het huwelijk ontstane vaderschap toe namens de minderjarigen en verklaart de vrouw niet-ontvankelijk.

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH
Team familie- en jeugdrecht
Uitspraak: 7 juli 2022
Zaaknummer: 200.288.340/01
Zaaknummer eerste aanleg: C/01/350369 / FA RK 19-4311
in de zaak in hoger beroep van:
[de vrouw],
wonende te [woonplaats] ,
verzoekster in hoger beroep,
hierna te noemen: de vrouw,
advocaat: mr. R. Aboukir,
tegen
[de man],
zonder bekende woon of verblijfplaats in of buiten Nederland,
verweerder in hoger beroep,
hierna te noemen: de man,
zonder advocaat.

5.De beschikking d.d. 24 maart 2022

Bij die beschikking heeft het hof de tussen partijen gegeven beschikking van de rechtbank Oost-Brabant, locatie ’s-Hertogenbosch, van 12 oktober 2020, voor zover daarbij de vrouw niet-ontvankelijk is verklaard in haar verzoeken, vernietigd. In zoverre opnieuw rechtdoende heeft het hof, voor zover nu van belang, de echtscheiding uitgesproken tussen de vrouw en de man en bepaald dat het ouderlijk gezag over de minderjarigen:
- [minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum] 2010 te [geboorteplaats] ,
- [minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum] 2017 te [geboorteplaats] ,
- [minderjarige 3] , geboren op [geboortedatum] 2020 te [geboorteplaats] ,
aan de vrouw alleen toekomt.
Tevens heeft het hof op de voet van artikel 1:212 BW Pro mr. R.H. Ebbeng, tot bijzondere curator benoemd en de bijzondere curator verzocht uiterlijk 28 april 2022 aan het hof schriftelijk te rapporteren betreffende het verzoek tot ontkenning van het vaderschap.
Het hof heeft bepaald dat de partijen na ontvangst van het verslag van de bijzondere curator een termijn van vier weken wordt verleend om hun standpunt kenbaar te maken.
Tot slot heeft het hof iedere overige beslissing pro forma aangehouden tot 2 juni 2022.

6.Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

6.1.
Het hof heeft kennisgenomen van de inhoud van:
- het rapport van de bijzondere curator d.d. 26 april 2022, ingekomen ter griffie op 28 april 2022;
- de brief met bijlage van de advocaat van de vrouw d.d. 25 mei 2022.
6.2.
Het hof zal de zaak, zonder nadere mondelinge behandeling, op de stukken afdoen.

7.De verdere beoordeling

7.1.
De bijzondere curator heeft in haar verslag kort gezegd overwogen dat de verzoeken van de vrouw in hoger beroep dienen te worden toegewezen, met dien verstande dat de het hof opnieuw rechtdoende het verzoek van de vrouw tot ontkenning van het door het huwelijk ontstane vaderschap van de heer [de man] ten aanzien van de minderjarigen
toewijst. De bijzondere curator verzoekt zonodig namens [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] de ontkenning van het vaderschap uit te spreken.
7.2.
De vrouw heeft bij bericht van haar advocaat van 25 mei 2022 het hof laten weten dat zij zich kan vinden in de standpunten en de conclusie van de bijzondere curator. Zij refereert zich aan het oordeel van het hof.
7.3.
Het hof overweegt als volgt.
Ontkenning vaderschap
Ontvankelijkheid
7.4.1.
Op grond van artikel 1:200 BW Pro dient het verzoek door de moeder te worden ingediend binnen een jaar na de geboorte van de minderjarigen. Omdat de moeder haar verzoek niet tijdig heeft ingediend, is zij niet-ontvankelijk in haar verzoek. De bijzondere curator heeft het verzoek echter namens de minderjarigen overgenomen.
Op grond van artikel 1:200 lid 6 BW Pro kan het verzoek tot gegrondverklaring van de ontkenning door het kind bij de rechtbank worden ingediend binnen drie jaren nadat het kind bekend is geworden met het feit dat de man vermoedelijk niet zijn biologische vader is. De bijzondere curator heeft het hof (subsidiair) verzocht namens de minderjarigen de ontkenning van het vaderschap uit te spreken.
Gelet op artikel 1:200 lid 6 BW Pro is dit verzoek tijdig ingediend en dus ontvankelijk.
Inhoudelijke beoordeling
7.4.2.
Op grond van artikel 1:200 BW Pro kan het in artikel 1:99 onder Pro a en b BW bedoelde vaderschap worden ontkend op de grond dat de man niet de biologische vader is.
Volgens de bijzondere curator is het evident dat de man niet de biologische vader is van de kinderen. Het hof sluit zich daarbij aan. Uit de overgelegde stukken, het verhandelde ter mondelinge behandeling van het hof en het verslag van de bijzondere curator volgt dat de vrouw de man niet meer heeft gezien, sinds haar vlucht uit Somalië in 2005. Er is geen enkele aanwijzing dat de man gedurende het conceptietijdvak van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] in Nederland was, dan wel in het leven van de vrouw. Daarbij komt dat de vrouw heeft gesteld dat de kinderen een andere biologische vader hebben. Het hof heeft geen enkele reden om te twijfelen aan het relaas van de vrouw. Met de bijzondere curator is het hof daarom van oordeel dat ook zonder DNA bewijs is komen vast te staan dat de man niet de biologische vader van de minderjarige [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] is.
Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat het belang van de minderjarigen meebrengt de juridische werkelijkheid thans in overeenstemming wordt gebracht met de biologische werkelijkheid. Het hof wijst derhalve het verzoek van de bijzondere curator namens de kinderen om het vaderschap van de man over de minderjarigen te ontkennen toe.
Naamswijziging
7.4.3.
Vanaf het moment dat de gegrondverklaring van de ontkenning van het door het huwelijk ontstane vaderschap in kracht van gewijsde is gegaan, dragen de minderjarigen de naam van de vrouw. Op grond van artikel 1:202 lid 2 BW Pro wordt het door het huwelijk ontstane vaderschap geacht nimmer gevolg te hebben gehad. Dit betekent dat de man nooit de vader van de minderjarigen is geweest en dat zij niet meer de naam van de man dragen. De minderjarige [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] staan vanaf dat moment alleen nog maar in familierechtelijke betrekking tot de vrouw en dragen dan ingevolge artikel 1:5 lid 1 BW Pro haar geslachtsnaam.

8.De beslissing

Het hof:
verklaart de vrouw niet -ontvankelijk in haar verzoek;
verklaart gegrond het verzoek van de bijzondere curator tot ontkenning van het door het huwelijk met de vrouw ontstane vaderschap van:
[de man],
zonder bekende woon of verblijfplaats in of buiten Nederland
ten aanzien van de minderjarigen:
- [minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum] 2010 te [geboorteplaats] ,
- [minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum] 2017 te [geboorteplaats] ,
- [minderjarige 3] , geboren op [geboortedatum] 2020 te [geboorteplaats] ,
draagt de griffier op grond van artikel 1:20e lid 1 BW niet eerder dan drie maanden na de dag van deze beschikking, en slechts indien geen cassatie is ingesteld, een afschrift van deze beschikking te zenden aan de ambtenaar van de Burgerlijke Stand van de gemeente [gemeente] dit met het oog op het bepaalde in artikel 1:20, lid 1 en onder a, BW juncto artikel 1:20a, lid 1, BW;
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mrs. E.M.C. Dumoulin, M.J. van Laarhoven, J.C.E. Ackermans-Wijn en is in het openbaar uitgesproken op 7 juli 2022 in tegenwoordigheid van de griffier.