Belanghebbende, werkzaam als jeugdzorgverlener, kreeg een naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd omdat hij zijn parkeergeld niet tijdig had voldaan. Op de dag van de overtreding had hij een afspraak met een minderjarige pupil die niet kwam opdagen, waardoor een speciaal protocol in werking trad. Hierdoor kon belanghebbende de parkeermeter niet tijdig bijvullen.
Zowel de rechtbank als het hof oordeelden dat er geen sprake was van overmacht. Overmacht vereist een nood- of spoedeisende situatie die feitelijk en fysiek verhindert om parkeergeld te betalen. De omstandigheden van belanghebbende voldeden hier niet aan. De door belanghebbende aangevoerde documenten en verklaringen konden niet overtuigend aantonen dat er sprake was van een levensbedreigende situatie.
Het hof bevestigde dat parkeerbelasting een objectieve belasting is waarbij persoonlijke omstandigheden in principe niet tot vrijstelling leiden, tenzij sprake is van overmacht. Het gemeentebeleid voorziet niet in uitzonderingen voor de situatie van belanghebbende. Het hoger beroep werd daarom ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Ten aanzien van het griffierecht en proceskosten zag het hof geen aanleiding tot vergoeding of veroordeling. De uitspraak werd in het openbaar gedaan op 13 juli 2022.