Uitspraak
GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH
1.Het geding in eerste aanleg
2.Het geding in hoger beroep
- de rechthebbende, bijgestaan door mr. E.G.W. Hendriks en een tolk, de heer O. Alothman;
- de bewindvoerder, bijgestaan door mr. R.H.L. van de Laar.
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
De zaak betreft een hoger beroep tegen de beschikking van de kantonrechter Limburg die het verzoek tot opheffing van het bewind over de goederen van de rechthebbende heeft afgewezen. De bewindvoerder was benoemd om de financiële belangen van de rechthebbende te behartigen sinds 1 mei 2020.
De rechthebbende stelde dat de omstandigheden waren gewijzigd: hij was niet langer verkwistend, had vaste inkomsten en voldoende inzicht in zijn financiën om zelfstandig zijn vermogensrechtelijke belangen te behartigen. Tevens verzocht hij subsidiair om benoeming van een opvolgend bewindvoerder wegens een vertrouwensbreuk met de huidige bewindvoerder.
De bewindvoerder betoogde dat de rechthebbende nog niet in staat was zijn financiële zaken adequaat te regelen, wees op recente eigenhandige handelingen van de rechthebbende zonder overleg en op het feit dat de rechthebbende nog schulden had. Er was een lopend traject naar financiële zelfredzaamheid dat nog te kort was om het bewind op te heffen.
Het hof oordeelde dat de noodzaak tot voortzetting van het bewind nog steeds bestond omdat de rechthebbende nog schulden had en het zelfredzaamheidstraject nog te kort liep om zekerheid te geven over zijn zelfstandigheid. Het subsidiaire verzoek tot ontslag van de bewindvoerder werd afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing van de vertrouwensbreuk.
Daarom werd de beschikking van de kantonrechter bekrachtigd en het verzoek tot opheffing van het bewind afgewezen.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt de beschikking en wijst het verzoek tot opheffing van het bewind af.