Deze zaak betreft het hoger beroep van de vader tegen twee beschikkingen van de rechtbank Limburg over de uithuisplaatsing van zijn minderjarige kinderen. De spoedmachtiging van 8 oktober 2021 werd verleend op basis van ernstige signalen van kindermishandeling, afkomstig van de oudste minderjarige, die meerdere keren gedetailleerde verklaringen had afgelegd. Het hof oordeelt dat deze spoedmachtiging terecht was, omdat er onmiddellijk en ernstig gevaar voor de kinderen bestond en de veiligheid niet kon worden gewaarborgd.
De daaropvolgende machtiging tot uithuisplaatsing van 20 oktober 2021 werd echter vernietigd door het hof. De raad had onvoldoende objectieve en aanvullende informatie aangeleverd die de eerdere verklaringen ondersteunde. Er was geen contact geweest met de moeder en met een belangrijke betrokken instantie die al langere tijd ondersteuning bood. Het hof benadrukt dat in situaties met beperkte en eenzijdige informatie een kortere machtiging met nader onderzoek passend zou zijn geweest.
De vader betwistte de beschikkingen en stelde dat de uithuisplaatsing onzorgvuldig en onvoldoende gemotiveerd was. De raad verdedigde zijn handelen met het oog op de veiligheid van de kinderen en het ontbreken van medewerking van de ouders. De gecertificeerde instelling bevestigde dat de kinderen inmiddels weer veilig bij de vader wonen en dat de ouders ondersteuning accepteren. Het hof compenseerde de proceskosten in hoger beroep en bepaalde dat iedere partij haar eigen kosten draagt.