De verdachte, geboren in 2004, werd beschuldigd van bedreiging met brandstichting jegens een boswachter in Bergen op Zoom op 20 april 2021. In eerste aanleg werd hij veroordeeld, maar het hof vernietigde dit vonnis wegens onvoldoende motivering.
Het hof oordeelde dat de bedreiging wettig en overtuigend bewezen was, waarbij de verdachte in boosheid riep dat hij het bankje in brand zou steken als hij een rekening zou krijgen. De bedreigde boswachter kon daardoor in redelijkheid vrees krijgen voor brandstichting. De verdediging stelde dat het geen bedreiging was, maar dit werd verworpen.
Hoewel de verdachte eerder was veroordeeld voor soortgelijke feiten, toonde het hof begrip voor zijn positieve ontwikkeling onder begeleiding van hulpverlening. Daarom legde het hof een geheel voorwaardelijke werkstraf van 20 uur op, met subsidiaire jeugddetentie van 10 dagen, en wees de vordering tot tenuitvoerlegging van een eerdere werkstraf af. Het hof sprak vertrouwen uit in de voortzetting van de positieve ontwikkeling van de verdachte.