Partijen sloten op 1 juni 2018 een huurovereenkomst voor een woning waarbij is vastgelegd dat de huur maandelijks vooruitbetaald moest worden en dat geen betalingsregelingen meer zouden worden getroffen vanwege eerdere betalingsproblemen. De huurder had sinds 2013 herhaaldelijk huurachterstanden, met drie eerdere ontbindingsvonnissen en telkens een laatste kans van Woonbedrijf.
Woonbedrijf vorderde opnieuw ontbinding en ontruiming wegens niet tijdige betaling. De rechtbank wees deze vorderingen toe en het hof bevestigt dit oordeel. De huurder voerde aan dat de achterstanden veroorzaakt waren door de coronapandemie en overlast van een buurman, maar deze omstandigheden werden onvoldoende onderbouwd en konden het gewicht van de tekortkoming niet verminderen.
Het hof overweegt dat de herhaalde betalingsachterstanden, de gemaakte afspraken in de considerans en het feit dat de huurder al meerdere kansen had gekregen, rechtvaardigen dat de overeenkomst wordt ontbonden. Ook het belang van de huurder bij voortzetting weegt niet op tegen de tekortkomingen. De vorderingen van Woonbedrijf worden dan ook terecht toegewezen en het vonnis van de kantonrechter wordt bekrachtigd.