ECLI:NL:GHSHE:2022:2649

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
28 juli 2022
Publicatiedatum
28 juli 2022
Zaaknummer
200.307.437_01
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 358 RvArt. 261 RvArt. 810 RvArt. 8 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Moeder niet-ontvankelijk in hoger beroep wegens ontbreken eindbeslissing omgangsregeling

In deze zaak staat het hoger beroep van de moeder centraal tegen een beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant inzake omgangs- en informatieregelingen met betrekking tot haar minderjarige kind.

De rechtbank had de man ontvankelijk verklaard in zijn verzoeken tot omgang en informatieregeling, maar de beslissing op deze verzoeken aangehouden in afwachting van een onderzoek door de Raad voor de Kinderbescherming. De moeder stelde zich op het standpunt dat zij ontvankelijk was in haar hoger beroep omdat de rechtbank in het dictum had bepaald dat de man ontvankelijk was, wat volgens haar neerkwam op een (gedeeltelijke) eindbeslissing.

Het hof oordeelt echter dat de beschikking een tussenbeschikking betreft, omdat de rechtbank slechts heeft beslist over de ontvankelijkheid van de man in zijn verzoeken en niet over de inhoudelijke verzoeken zelf. De beslissing op de verzoeken is aangehouden. Omdat tegen tussenbeschikkingen in beginsel geen hoger beroep openstaat, verklaart het hof de moeder niet-ontvankelijk in haar hoger beroep.

De moeder kan dus niet verder procederen in hoger beroep tegen deze beschikking, waarmee de procedure in hoger beroep voor haar is beëindigd.

Uitkomst: De moeder is niet-ontvankelijk verklaard in haar hoger beroep omdat de bestreden beschikking een tussenbeschikking betreft zonder eindbeslissing.

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Team familie- en jeugdrecht
Uitspraak: 28 juli 2022
Zaaknummer: 200.307.437/01
Zaaknummer eerste aanleg: C/02/386147 / FA RK 21-2602
in de zaak in hoger beroep van:
[de moeder],
wonende te [woonplaats] ,
verzoekster in hoger beroep,
hierna te noemen: de moeder,
advocaat: mr. R. Shahbazi,
tegen
[de man],
wonende te [woonplaats] ,
verweerder in hoger beroep,
hierna te noemen: de man,
advocaat: mr. R.G.J. van Kerkhof.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:
[de juridische vader] ,
wonende te [woonplaats] ,
hierna te noemen, de juridische vader.
Deze zaak heeft betrekking op de minderjarige:
- [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2012 te [geboorteplaats] .
In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:
de Raad voor de Kinderbescherming,
vestiging: [vestiging]
hierna te noemen: de raad.

1.Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, locatie Breda, van 13 januari 2022, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2.Het geding in hoger beroep

2.1.
Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 4 maart 2022, heeft de moeder verzocht voormelde beschikking te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, de man niet-ontvankelijk te verklaren in zijn verzoeken.
2.2.
Het hof heeft partijen bij brief van 25 maart 2022 opgeroepen voor de zitting van 26 april 2022 en hierbij medegedeeld dat alleen de ontvankelijkheid van het door de moeder ingestelde beroep aan de orde zal zijn.
2.3.
De man heeft bij het hierna te noemen bericht van 11 april 2022 laten weten mondeling verweer te zullen voeren ten aanzien van de ontvankelijkheid.
2.4.
De behandeling van de zaak is vervolgens op verzoek van partijen tweemaal aangehouden. Partijen zijn opnieuw opgeroepen, waarbij abusievelijk niet is vermeld dat enkel de ontvankelijkheid aan de orde zou zijn.
2.5.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 5 juli 2022. Bij die gelegenheid zijn gehoord:
  • de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
  • de man, bijgestaan door zijn advocaat;
  • de Raad voor de Kinderbescherming (hierna te noemen: de raad), vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de raad] .
2.5.1.
De juridische vader is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet tijdens de mondelinge behandeling verschenen.
2.6.
Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:
  • het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg van 22 december 2021
  • het V8-formulier van 11 april 2022 van de zijde van de man.

3.De beoordeling

De feiten
3.1.
Partijen hebben een affectieve relatie met elkaar gehad.
Uit de relatie van partijen is geboren:
- [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2012 te [geboorteplaats] (hierna: [minderjarige] ).
3.2.
[minderjarige] is erkend door de juridische vader. De moeder is op 6 december 2021 een geregistreerd partnerschap aangegaan met de juridisch vader. Hierdoor zijn de moeder en de juridisch vader van rechtswege gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
[minderjarige] woont bij de moeder en de juridische vader samen met zijn halfbroertje [halfbroertje] , geboren op [geboortedatum] 2016 te [geboorteplaats] .
Ontvankelijkheid van het hoger beroep
3.3.
Het hof dient ambtshalve te beoordelen of de moeder ontvankelijk is in haar hoger beroep.
3.4.
In de bestreden beschikking heeft de rechtbank de man ontvankelijk verklaard in zijn verzoeken tot omgang en de Raad voor de Kinderbescherming verzocht een onderzoek in te stellen ten aanzien van de omgang en de informatieregeling en de rechtbank hierover te rapporteren en te adviseren. De beslissing op de verzoeken met betrekking tot
  • de omgangsregeling (de man),
  • de informatieregeling (de man) ,
  • het ontzeggen van de omgang (de moeder),
is aangehouden in afwachting van het raadsonderzoek.
3.5.
De moeder stelt dat zij ontvankelijk is in haar hoger beroep, gezien het feit dat het hoger beroep zich richt op een deel van de beschikking, waarin is bepaald dat de man ontvankelijk is in zijn verzoeken en waar dus een einduitspraak in is gedaan.
3.6.
De man heeft zich ter zitting gerefereerd aan het oordeel van het hof.
3.7.
Op grond van artikel 358, eerste lid, Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) staat tegen eindbeschikkingen in zaken als bedoeld in artikel 261 Rv Pro, behoudens berusting, hoger beroep open. Ingevolge het vierde lid kan van tussenbeschikkingen hoger beroep slechts tegelijk met dat van de eindbeschikking worden ingesteld, tenzij de rechter anders heeft bepaald. Voor het onderscheid tussen een (al dan niet gedeeltelijke) eindbeschikking en een tussenbeschikking is volgens vaste rechtspraak doorslaggevend of door middel van een beslissing in het dictum van de beschikking een eind is gemaakt omtrent enig deel van het verzochte.
3.8.
Naar het oordeel van het hof dient de bestreden beschikking te worden aangemerkt als een tussenbeschikking. De man heeft in eerste aanleg verzocht om een omgangsregeling en informatieregeling vast te stellen. De moeder heeft hiertegen verweer gevoerd en zich primair op het standpunt gesteld dat de man niet-ontvankelijk is in zijn verzoeken omdat hij onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van een nauwe persoonlijke betrekking in de zin van artikel 8 EVRM Pro en dat er geen sprake is van inmenging van zijn recht op “private life”. De rechtbank heeft dit verweer van de moeder verworpen en heeft de man ontvankelijk verklaard in zijn verzoeken. Dat deze beslissing door de rechtbank is opgenomen in het dictum maakt niet dat sprake is van een (gedeeltelijke) eindbeschikking. De rechtbank heeft immers enkel een beslissing genomen op het verweer van de moeder ten aanzien van de voorvraag of de man ontvankelijk is in zijn verzoeken, maar heeft geen (eind)beslissing genomen op de verzoeken van de man tot vaststelling van een omgangsregeling en/of informatieregeling in het dictum. De beslissing op deze verzoeken is aangehouden in afwachting van het raadsonderzoek. In het dictum is ook expliciet vermeld dat de beslissing op de verzoeken met betrekking tot de omgangsregeling, de informatieregeling en het ontzeggen van de omgang wordt aangehouden. De rechtbank heeft derhalve niet omtrent enig deel van het verzochte beslist, zodat van een (gedeeltelijke) eindbeschikking geen sprake is.
3.9.
Dat de rechtbank tussentijds hoger beroep heeft opengesteld is gesteld noch gebleken.
3.10.
Gelet op het voorgaande zal het hof de moeder niet-ontvankelijk verklaren in het door haar ingestelde hoger beroep.

4.De beslissing

Het hof:
verklaart de moeder niet-ontvankelijk in haar hoger beroep.
Deze beschikking is gegeven door mrs. E.L. Schaafsma-Beversluis, A.J.F. Manders en H.M.A.W. Erven en is op 28 juli 2022 in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier