De zaak betreft een verzoek tot wijziging van de grondslag van de onderbewindstelling van de rechthebbende. In eerste aanleg wees de kantonrechter het verzoek tot wijziging af en hief het bewind op per 1 maart 2022, omdat de problematische schulden waren weggewerkt en de rechthebbende een zelfredzaamheidstraject zou doorlopen.
De rechthebbende ging in hoger beroep en voerde aan dat hij ondanks schuldenvrijheid niet in staat is zijn financiële zaken zelf te beheren vanwege zijn geestelijke gezondheid, waaronder nervositeit en psychische klachten. De kantonrechter zou ten onrechte onvoldoende rekening hebben gehouden met deze omstandigheden.
Het hof nam kennis van diverse stukken en concludeerde dat de geestelijke toestand van de rechthebbende voldoende is onderbouwd om voortzetting van het bewind te rechtvaardigen. De opheffing wordt vernietigd, waardoor het bewind herleeft, en de grondslag wordt gewijzigd naar lichamelijke of geestelijke toestand. Het hof oordeelt dat de rechthebbende zijn vermogensrechtelijke belangen onvoldoende zelfstandig kan behartigen.
De beschikking is uitgesproken door het hof 's-Hertogenbosch op 28 juli 2022 en vernietigt de eerdere beschikking van 29 september 2021 van de kantonrechter te Maastricht.