Partijen hadden een affectieve relatie en sloten een samenlevingscontract. Zij werden gezamenlijk eigenaar van een woning en een auto. Na beëindiging van de relatie woonde de vrouw in de woning en gebruikte zij de auto. De man vorderde in kort geding dat de vrouw medewerking zou verlenen aan de verkoop van beide goederen.
De voorzieningenrechter wees de vorderingen af wegens onvoldoende feiten die een spoedeisend belang rechtvaardigen. De man stelde hoger beroep in en voerde zes grieven aan, onder meer dat er overeenstemming was over verkoop en dat hij financieel belang had bij verkoop.
Het hof oordeelde dat geen rechtsgeldige overeenkomst tot verkoop was gesloten en dat een kort geding niet geschikt is voor het gelasten van verkoop van een woning. Ook was onvoldoende aangetoond dat de man dringend financiële middelen nodig had voor verkoop van de auto. Het hof bekrachtigde het vonnis en compenseerde de proceskosten.