In deze civiele zaak staat centraal of de zoon medehuurder is van de woning die zijn moeder huurt. De moeder huurt sinds 2005 een woning en de zoon is in 2012 bij haar ingetrokken. De moeder is wegens dementie onder bewind gesteld, waarbij de zoon haar bewindvoerder en mentor is geworden. De zoon heeft de woningstichting verzocht hem medehuurder te maken, wat werd geweigerd. De kantonrechter wees de vordering af, maar het hof vernietigt dit vonnis en wijst het hoger beroep toe.
Het hof oordeelt dat het verzoek tot medehuurderschap door de zoon als bewindvoerder mede namens de moeder is gedaan, waardoor het verzoek als gezamenlijk wordt beschouwd. De woningstichting kon dit niet weerleggen. Vervolgens beoordeelt het hof of er sprake is van een duurzame gemeenschappelijke huishouding. Hoewel het wonen van een volwassen kind bij een ouder doorgaans niet als zodanig wordt gezien, is hier sprake van bijzondere omstandigheden: de zoon is teruggekeerd na zelfstandig wonen, verzorgt zijn moeder met dementie en deelt de kosten en het huishouden.
De woningstichting voerde aan dat de zorgrelatie een gebrek aan wederkerigheid betekent en dat de zoon nog steeds als woningzoekende staat ingeschreven, wat tegen een duurzame huishouding zou spreken. Het hof verwerpt deze argumenten, wijst op de langdurige gezamenlijke bewoning, de zorgrelatie in het belang van de moeder en het feit dat de zoon nooit heeft gereageerd op een andere woning. Het hof bepaalt dat de zoon met ingang van het vonnis van de kantonrechter medehuurder is en veroordeelt de woningstichting in de proceskosten.