Belanghebbende vroeg in 2012 een vrijstellingsvergunning bpm aan voor een auto die hij zakelijk gebruikte. De vergunning werd verleend, ondanks dat hij geen kilometeradministratie bijhield. In 2018 trok de inspecteur de vergunning in omdat niet kon worden aangetoond dat de auto voor meer dan 50% zakelijk buiten Nederland werd gebruikt, zoals vereist volgens het Uitvoeringsbesluit bpm.
Belanghebbende maakte bezwaar en stelde dat het vertrouwensbeginsel was geschonden omdat de inspecteur de vergunning had verleend zonder kilometeradministratie te eisen. Het hof oordeelde dat dit niet betekent dat de inspecteur akkoord ging met het achterwege laten van de kilometeradministratie, die noodzakelijk is om het gebruik te beoordelen.
Verder stelde belanghebbende dat hij met andere bewijsstukken aannemelijk had gemaakt dat de auto meer dan 50% buiten Nederland zakelijk werd gebruikt. Het hof wees dit af omdat het Uitvoeringsbesluit bpm strikt voorschrijft dat een kilometeradministratie vereist is en geen alternatieve bewijsmiddelen worden geaccepteerd.
Belanghebbende voerde ook aan dat hij recht had op een andere vrijstelling (werknemer), maar het hof stelde dat dit niet in deze procedure aan de orde was. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de intrekking van de vergunning bevestigd.