In deze zaak staat het hoger beroep tegen een kort geding centraal waarin een straat- en contactverbod is opgelegd aan de voormalige echtgenoot van geïntimeerde 1. Dit verbod betreft het gebied rondom de woning en het contact met geïntimeerden, naar aanleiding van diverse incidenten en aangiften van mishandeling en bedreiging.
De voorzieningenrechter had het verbod voor een jaar opgelegd, met een dwangsom bij overtreding. Het hof bevestigt dat de gedragingen van appellant, waaronder incidenten die zich over een langere periode hebben voorgedaan en recent zijn geëscaleerd, dit verbod rechtvaardigen. De appellant voerde aan dat oudere incidenten niet meegewogen mochten worden en dat er geen actuele inbreuk was, maar het hof verwierp deze grieven omdat het patroon van gedragingen in samenhang moet worden beoordeeld.
De eis tot verlenging van het verbod met een jaar wordt afgewezen omdat de situatie op het moment van uitspraak niet meer voldeed aan de vereisten voor een dergelijke ingrijpende maatregel. De proceskosten zijn in eerste aanleg en hoger beroep gecompenseerd vanwege de familierechtelijke relatie tussen partijen. Het hof bekrachtigt het vonnis van 21 december 2020 en wijst het meer of anders gevorderde af.