Uitspraak
5.Het verdere geding in hoger beroep
- het voornoemde tussenarrest waarbij het hof [geïntimeerde] heeft toegelaten tot tegenbewijslevering;
- de akte uitlaten bewijsopdracht van [geïntimeerde] met producties;
- de memorie na (contra)enquête van [geïntimeerde] ;
- de (antwoord)memorie na enquête van [appellante] .
6.De verdere beoordeling
“(…)
“(…)
“20b”nog toegelicht:
“(…)
11. (…) de terugbetaling van stalgelden voor de paarden die [appellante] had voorgeschoten voor [geïntimeerde] en dus niet op de overeenkomst van geldlening in de onderhavige kwestie.”
“(…)
“(…)
7.De uitspraak
- veroordeelt [geïntimeerde] om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [appellante] te betalen een bedrag van € 20.975,--, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 12 februari 2019 tot de dag van betaling;
- veroordeelt [geïntimeerde] in de proceskosten van de eerste aanleg aan de zijde van [appellante] en begroot die kosten tot op de datum van het beroepen vonnis op € 97,31 aan dagvaardingskosten, € 486,--aan griffierecht en € 960,-- aan salaris gemachtigde;