Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
1.Het geding in eerste aanleg
2.Het geding in hoger beroep
- de ‘Overeenkomst budgetbeheer’ van 6 januari 2022;
- het indieningsformulier met bijlagen (stukken eerste aanleg) van mr. Plaat van
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Appellant verzocht om toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling met een schuldenlast van ruim €28.000, waaronder schulden aan het CJIB, de Belastingdienst en ABN AMRO. De rechtbank wees dit verzoek af omdat appellant niet te goeder trouw was geweest in de vijf jaar voorafgaand aan het verzoek en onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat hij de verplichtingen uit de regeling zou nakomen.
De rechtbank motiveerde dit onder meer met het feit dat appellant een schadevergoeding van €32.500 ontving maar deze niet meldde aan zijn schuldhulpverlener en het bedrag contant opnam en gebruikte voor niet verifieerbare doelen, waardoor schuldeisers ernstig werden benadeeld. Daarnaast waren er belastingschulden en verkeersboetes die niet te goeder trouw waren ontstaan.
Appellant voerde in hoger beroep aan dat hij niet wist dat de schadevergoeding gemeld moest worden en dat hij gemotiveerd is om zijn problemen aan te pakken, waaronder psychosociale problematiek en gokverslaving. Hij volgt therapie en ontvangt begeleiding. Het hof oordeelde echter dat appellant onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat hij te goeder trouw was geweest en dat zijn psychosociale problemen duurzaam beheersbaar zijn. Ook het beroep op de hardheidsclausule faalde.
Het hof benadrukte dat een premature toelating tot schuldsanering ernstige gevolgen kan hebben bij niet-nakoming. Daarom is terughoudendheid geboden. Het hof bekrachtigde het vonnis van de rechtbank en wees het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling af.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt het vonnis van de rechtbank en wijst het verzoek tot toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling af.