Partijen zijn gescheiden en hebben een minderjarige dochter met gezamenlijk gezag. In het echtscheidingsconvenant is de behoefte van het kind vastgesteld op basis van gangbare tabellen, met een bijdrage van de vader in de kosten van verzorging en opvoeding. Na verhuizing van de moeder met het kind stegen de netto kinderopvangkosten aanzienlijk.
De moeder verzocht om verhoging van de kinderalimentatie, waarbij zij stelde dat de hoge opvangkosten bij de behoefte moesten worden betrokken. De vader voerde aan dat deze kosten niet verhoogd behoorden te worden omdat ze niet uitzonderlijk waren en dat de moeder en haar partner deze kosten konden dragen.
Het hof oordeelde dat de opvangkosten wel degelijk bij de behoefte moeten worden betrokken, omdat deze kosten niet volledig gecompenseerd kunnen worden door bezuinigingen elders. De netto opvangkosten stegen van €57 naar €300 per maand, waarvan €243 werd toegevoegd aan de behoefte, wat leidde tot een nieuwe behoefte van €916 per maand. De draagkrachtverdeling resulteerde in een bijdrage van de vader van €550 per maand vanaf de geboortedatum van het kind in 2021, en €560 per maand na indexering per 1 januari 2022.
Het hof vernietigde de eerdere beschikking en stelde de kinderalimentatie vast op deze bedragen, waarbij de bijdrage vanaf 1 juni 2021 werd vastgesteld en de beschikking uitvoerbaar bij voorraad werd verklaard.