In deze strafzaak is het hoger beroep behandeld tegen het vonnis van de politierechter te Maastricht van 21 januari 2021. De verdachte werd verdacht van twee overtredingen van de Wegenverkeerswet 1994 gepleegd op 6 augustus 2019 te Heerlen. Het hof heeft het vonnis van de politierechter vernietigd en doet nu opnieuw recht.
De bewezenverklaringen betreffen overtredingen van artikel 7, eerste lid, en artikel 8, derde lid, onderdeel b van de Wegenverkeerswet 1994. De verdachte is veroordeeld tot een geldboete van €650,00, 13 dagen hechtenis die bij gebreke van betaling in vijf termijnen van €130,00 per maand kan worden vervangen, en een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor 180 dagen. Daarnaast is de verdachte voor het tweede bewezenverklaarde feit ontzegd van de rijbevoegdheid voor 136 dagen.
Het hof heeft bepaald dat een gedeelte van de ontzegging niet ten uitvoer zal worden gelegd tenzij de verdachte zich binnen een proeftijd van twee jaren schuldig maakt aan een strafbaar feit. Tevens is rekening gehouden met de periode waarin het rijbewijs reeds was ingevorderd of ingehouden, welke in mindering wordt gebracht op de duur van de bijkomende straf. Het arrest is mondeling gewezen op 17 juni 2022 door de enkelvoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof 's-Hertogenbosch.