Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
1.[appellant] ,wonende te [woonplaats] , Zwitserland,
[appellante] ,wonende te [woonplaats] ,
1.Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer 9160861 / CV EXPL 21-1960)
2.Het geding in hoger beroep
- de dagvaarding in hoger beroep met een productie;
- het tegen [geïntimeerde] verleende verstek;
- de memorie van grieven.
3.De beoordeling
- Bij huurovereenkomst van 15 januari 2020 hebben [appellanten] de zelfstandige woonruimte aan de [adres] te [plaats] met ingang van die datum verhuurd aan [geïntimeerde] . Het gehuurde bestaat uit een bovenverdieping, zolder en dakterras.
- De huurovereenkomst is op de voet van artikel 7:271 lid 1 BW Pro voor een periode van 12 maanden aangegaan, en op 14 januari 2021 geëindigd.
- In artikel 1.2 van de huurovereenkomst staat dat het gehuurde uitsluitend is bestemd om te worden gebruikt als woonruimte.
- [geïntimeerde] heeft bij aanvang van de huurovereenkomst aan [appellanten] een waarborgsom van € 3.300,00 betaald.
- De overeengekomen huurprijs bedroeg € 1.095,--. Dit bedrag moest maandelijks bij vooruitbetaling, voor of op de eerste dag van de periode waarop de betaling betrekking had, betaald worden.
- In artikel 11.2 van het huurcontract is bij te late betaling een boete van € 100,00 per dag overeengekomen.
- In artikel 2.1 van de bij de huurovereenkomst behorende algemene bepalingen staat onder meer dat de huurder – zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van verhuurder – niet bevoegd is om het gehuurde geheel of gedeeltelijk in huur, onderhuur of gebruik aan derden af te staan.
- [geïntimeerde] heeft [persoon A] laten inwonen in het gehuurde. [persoon A] heeft in de Gemeentelijke Basisadministratie van 14 mei 2020 tot en met februari 2021 ingeschreven gestaan op het adres van het gehuurde. De eenmanszaak van [persoon A] heeft in dezelfde periode ingeschreven gestaan op het adres van het gehuurde.
- [appellanten] hebben bij het einde van de huur de waarborgsom niet terugbetaald aan [geïntimeerde] .
- € 15.500,-- ter zake verbeurde boetes;
- € 930,-- ter zake buitengerechtelijke incassokosten;
- Artikel 11.2 van de huurovereenkomst ter zake de boete voor het te laat betalen van de huur is niet kennelijk onredelijk (het hof leest dit als niet onredelijk bezwarend in de zin van artikel 6:233 sub a BW Pro). De huur over de maanden mei en augustus 2020 is te laat bijgeschreven op de bankrekening van [appellanten] Het ter zake daarvan gevorderde boetebedrag van € 500,-- is toewijsbaar (rov. 4.4 en 4.5).
- Vast staat dat [geïntimeerde] [persoon A] heeft laten inwonen in het gehuurde maar er is niet komen vast te staan dat [geïntimeerde] het gehuurde heeft onderverhuurd of tegen betaling in gebruik heeft gegeven aan [persoon A] . Er is dus niet komen vast te staan dat [geïntimeerde] , door [persoon A] te laten inwonen, heeft gehandeld in strijd met de huurovereen-komst. Het ter zake daarvan gevorderde boetebedrag van € 15.000,-- wordt dus afgewezen (rov. 4.9 en 4.10).
- Omdat een hoofdsom van € 500,-- wordt toegewezen, is ter zake incassokosten € 75,-- toewijsbaar (rov. 4.11).
- Vast staat dat [geïntimeerde] het gehuurde niet in goede staat heeft opgeleverd (rov. 4.16).
- [appellanten] hebben door het overleggen van een offerte van Klushulp voldoende onderbouwd dat de herstelkosten € 2.917,24 bedragen. De vordering tot terugbetaling van de waarborgsom is in zoverre niet toewijsbaar. (rov. 4.17 in verband met 4.13).
- Nadat op de betaalde waarborgsom het bedrag van € 2.917,24 aan herstelkosten is ingehouden, resteert een bedrag van € 382,76. [appellanten] moeten dat bedrag aan [geïntimeerde] terugbetalen (rov. 4.14 in verband met 4.13).
- Omdat partijen over en weer deels in het gelijk zijn gesteld, zullen de proceskosten in conventie en in reconventie worden gecompenseerd (rov. 4.19)
- [geïntimeerde] in conventie veroordeeld om aan [appellanten] € 575,-- te betalen;
- [appellanten] in reconventie veroordeeld om aan [geïntimeerde] € 382,76 te betalen;
- de proceskosten in conventie en in reconventie gecompenseerd, aldus dat elke partij de eigen kosten diende te dragen;
- het in conventie en in reconventie meer of anders gevorderde afgewezen.
- volledige toewijzing van hun vorderingen in conventie;
- volledige afwijzing van de vordering van [geïntimeerde] in reconventie;
- [geïntimeerde] heeft het gehuurde zelf bewoond.
- [geïntimeerde] heeft [persoon A] weliswaar laten inwonen in het gehuurde, maar er is niet komen vast te staan dat [geïntimeerde] daarvoor een financiële vergoeding ontving. Ook is geen sprake van “het doen van afstand van huur” in de zin van artikel 2.1 van de algemene bepalingen.
- [geïntimeerde] heeft dus niet in strijd met enige bepaling van de huurovereenkomst gehandeld.
- A. € 500,-- aan boete wegens het te laat betalen van de huur;
- B. € 15.000,-- aan boete wegens het in gebruik geven van het gehuurde.