In deze civiele zaak draait het om een mislukte samenwerking tussen partijen bij een projectontwikkeling. Het hof stelde vast dat essentiële feitelijke informatie over financiële transacties en opdrachtgeverschap niet door appellanten was verstrekt, ondanks een expliciete opdracht daartoe.
Appellanten konden niet aantonen wie opdracht gaf voor bepaalde overboekingen en aan wie een bedrag van € 60.000,- was uitbetaald. Zij beriepen zich op het ontbreken van medewerking van betrokkenen, maar het hof oordeelde dat zij desalniettemin voldoende concrete gegevens hadden moeten aanleveren.
Het verweer van appellanten dat de betalingen op eigen initiatief van een derde waren verricht, werd verworpen. Het hof concludeerde dat het handelen van deze derde namens appellanten mocht worden beschouwd, en dat eventuele bevoegdheidsoverschrijding een interne aangelegenheid betrof.
Daarmee kwam het hof tot dezelfde conclusie als de rechtbank en verwierp het alle grieven van appellanten. Het vonnis van 24 december 2019 werd bekrachtigd, appellanten werden veroordeeld in de proceskosten en het meer of anders gevorderde werd afgewezen.