Deze zaak betreft het hoger beroep van de vader tegen de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van zijn minderjarige zoon, geboren in 2007 met een autismespectrumstoornis, die sinds januari 2022 bij de moeder woont. De vader betwist de verlenging en voert aan dat het niet goed gaat met de minderjarige sinds diens verblijf bij de moeder, met verslechterde schoolprestaties en conflicten.
De gecertificeerde instelling (GI) en de moeder stellen dat de complexe scheidingsproblematiek en loyaliteitsconflicten tussen ouders en kind een rol spelen, en dat de minderjarige sinds de plaatsing bij de moeder meer rust en veiligheid ervaart, ondanks recente incidenten en gedragsproblemen. De vader erkent zijn burn-out en psychische hulp, maar weigert een persoonlijkheidsonderzoek.
Het hof oordeelt dat er sprake is van een ernstige ontwikkelingsbedreiging en noodzaak tot verlenging van de machtiging, maar uit ook zorgen over de huidige situatie bij de moeder, waaronder schooluitzetting en conflicten. Het contact tussen vader en kind is beperkt en de hulpverlening richt zich vooral op stabilisatie bij de moeder. Het hof bekrachtigt de beschikking tot 1 december 2022 en stelt de mondelinge behandeling uit tot 17 november 2022, waarbij de GI een plan van aanpak voor terugplaatsing en een update over de minderjarige moet overleggen.