De zaak betreft een hoger beroep tegen de beschikking van de rechtbank Limburg die het gezag van de moeder over haar minderjarige dochter heeft beëindigd. De minderjarige verblijft sinds 2018 in een pleeggezin vanwege een onveilige thuissituatie met huiselijk geweld en gedragsproblemen.
De moeder betoogt dat zij sinds 2019 een stabiel leven leidt, met werk, woonruimte en zonder verslavingsproblematiek, en verzoekt om onderzoek naar terugplaatsing. De Raad voor de Kinderbescherming en de gecertificeerde instelling (GI) stellen echter dat de gedragsproblemen van de minderjarige duiden op hechtingsproblemen en dat terugplaatsing een te groot risico vormt. De minderjarige heeft behoefte aan duidelijkheid, rust en stabiliteit, welke het pleeggezin biedt.
Het hof overweegt dat de minderjarige ernstig wordt bedreigd in haar ontwikkeling en dat de moeder niet binnen een aanvaardbare termijn de verantwoordelijkheid voor verzorging en opvoeding kan dragen. Gezien de langdurige verblijfduur in het pleeggezin en eerdere mislukte thuisplaatsingen, is het belang van de minderjarige bij duidelijkheid en stabiliteit doorslaggevend.
Het hof bekrachtigt daarom de beschikking tot gezagsbeëindiging en benadrukt dat onderzoek naar uitbreiding van de omgang tussen de minderjarige en haar ouders moet plaatsvinden, rekening houdend met de draagkracht van het kind. De uitspraak is op 1 september 2022 in het openbaar uitgesproken.