Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
1.Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer 9152568 OV VERZ 21-2510)
2.Het geding in hoger beroep
- de namens [appellante] uitgebrachte dagvaarding in hoger beroep met een grief en productie 1;
- de door [geïntimeerde] genomen memorie van antwoord met producties A en B;
- de door [appellante] genomen akte met producties 2, 3 en 4;
- de door [geïntimeerde] genomen antwoordakte met producties C, D en E.
3.De beoordeling
- [geïntimeerde] huurt vanaf 2012 de woning gelegen aan de [adres] (hierna: de woning).
- [geïntimeerde] is op enig moment naar Islamitische wetgeving gehuwd met [appellante] .
- [appellante] is vanaf 2015 bij [geïntimeerde] in de woning komen wonen.
- Nadat [geïntimeerde] en [appellante] daartoe gezamenlijk een verzoek hadden ingediend, is [appellante] op 14 september 2017 medehuurder geworden van de woning.
- Het Islamitische huwelijk van [geïntimeerde] en [appellante] is op 25 januari 2021 geëindigd.
- te bepalen dat [appellante] vanaf 1 februari 2021 bij uitsluiting van [geïntimeerde] huurster zal zijn van de woning;
- [geïntimeerde] te veroordelen om de woning te ontruimen.
- te bepalen dat [geïntimeerde] bij uitsluiting van [appellante] de huurder zal zijn van de woning;
- [appellante] te veroordelen om de woning te verlaten en het haar te verbieden om de woning nadien weer te betreden op straffe van een dwangsom.
- het alsnog afwijzen van de vorderingen van [geïntimeerde] ;
- het alsnog toewijzen van de vorderingen van [appellante] .
80% van de huisinrichting” destijds heeft overgenomen “
van een naast familielid”, is in het licht hiervan onvoldoende onderbouwd. [appellante] heeft die stelling niet nader geconcretiseerd en ook geen bewijs aangeboden. Het hof concludeert dat [appellante] onvoldoende heeft betwist dat [geïntimeerde] het grootste deel van de inrichting van de woning heeft betaald. [geïntimeerde] heeft overigens gesteld dat het [appellante] vrij staat om haar eigendommen uit de woning mee te nemen.
slechts beperkt invulling is gegeven”. In welke mate dat precies is geweest, heeft [appellante] niet toegelicht. Ook bij haar in hoger beroep op 7 december 2021 genomen akte heeft [appellante] geen enkele nadere informatie gegeven over het inkomen dat zij in 2021 heeft gehad. Het hof concludeert dat [appellante] onvoldoende heeft onderbouwd dat zij in staat is om de huur van de woning te betalen. Ook hier geldt voorts dat [appellante] geen bewijsaanbod heeft gedaan.
- De inrichting van de woning is geheel of grotendeels door [geïntimeerde] bekostigd.
- [geïntimeerde] is in staat om de huur van de woning te betalen. Er is niet komen vast te staan dat [appellante] daartoe ook in staat is.
- [geïntimeerde] heeft weliswaar enkele keren tijdelijk buiten de woning verbleven, maar er is niet komen vast te staan dat [geïntimeerde] daadwerkelijk naar een andere woning is verhuisd.
- [geïntimeerde] woont al 10 jaar in de woning, [appellante] aanzienlijk korter.
- Het is voor [appellante] mogelijk om (eventueel in afwachting van het vinden van andere woonruimte) bij haar moeder in [woonplaats] ter verblijven.