In deze zaak heeft de man hoger beroep ingesteld tegen een vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant. Het hof heeft vastgesteld dat de man, ondanks een ambtshalve uitstel, geen memorie van grieven heeft genomen binnen de gestelde termijn en ook geen verzoek tot uitstel heeft ingediend.
Op grond van het Landelijk procesreglement voor civiele dagvaardingszaken bij de gerechtshoven (LPR) vervalt het recht om een proceshandeling te verrichten indien deze niet binnen de gestelde termijn wordt verricht en geen uitstel wordt verkregen. Hierdoor is de man niet-ontvankelijk in het hoger beroep.
De vrouw heeft geen memorie van eis in incidenteel hoger beroep genomen. Het hof heeft de proceskosten in hoger beroep gecompenseerd, waarbij iedere partij haar eigen kosten draagt.
Het arrest is gewezen door drie raadsheren en in het openbaar uitgesproken op 20 september 2022.