ECLI:NL:GHSHE:2022:3248

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
26 september 2022
Publicatiedatum
26 september 2022
Zaaknummer
20-003093-21
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c SrArt. 36f SrArt. 55 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen ontucht en vervaardiging kinderpornografisch materiaal met minderjarige

Het gerechtshof 's-Hertogenbosch behandelde het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant van 15 december 2021, waarin verdachte werd veroordeeld voor ontuchtige handelingen met een meisje van veertien jaar en het vervaardigen van kinderpornografisch materiaal.

Het hof heeft het vonnis in stand gelaten, met uitzondering van de strafoplegging. De straf is vastgesteld op 22 maanden gevangenisstraf, waarvan 8 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar, met aftrek van het voorarrest. Deze straf weerspiegelt de ernst van het bewezenverklaarde, waaronder het misbruik van de kwetsbaarheid van het slachtoffer en het filmen van de seksuele handelingen.

Bij de strafoplegging heeft het hof rekening gehouden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte, waaronder zijn vrijwillige behandeling voor psychische problematiek en zijn verhuizing om met zijn verleden te breken. Tevens is de schending van de redelijke termijn in eerste aanleg meegewogen.

Het hof benadrukt dat de straf onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming inhoudt vanwege de ernst van de feiten, maar dat het voorwaardelijke deel dient ter preventie van recidive. De overige onderdelen van het vonnis blijven ongewijzigd.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 22 maanden gevangenisstraf waarvan 8 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar.

Uitspraak

Parketnummer : 20-003093-21
Uitspraak : 26 september 2022
TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, van 15 december 2021, in de strafzaak met parketnummer 01-865079-19 tegen:

[verdachte],

[geboortedatum],
[woonplaats].
Hoger beroep
Van de zijde van de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
De vordering van de advocaat-generaal houdt in dat het hof het beroepen vonnis zal bevestigen met uitzondering van de opgelegde straf en te dien aanzien opnieuw rechtdoende verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden met aftrek overeenkomstig artikel 27 van Pro het Wetboek van Strafrecht. De advocaat-generaal heeft zich voor wat betreft de vordering van de benadeelde partij gerefereerd aan het oordeel van het hof.
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat dient te worden volstaan met een taakstraf voor de duur van 240 uren in combinatie met een gevangenisstraf waarvan het onvoorwaardelijke deel gelijk is aan de duur van het voorarrest.
Vonnis waarvan beroep
Het hof verenigt zich met het beroepen vonnis en met de gronden waarop dit berust, behalve voor wat betreft de opgelegde straf en de toepasselijke wetsartikelen.
Op te leggen straf
Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.
Ten aanzien van de ernst van het bewezenverklaarde heeft het hof in het bijzonder gelet op:
  • de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals deze onder meer tot uitdrukking komt in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd;
  • het feit dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het plegen van ontuchtige handelingen met een meisje van veertien jaar oud door verschillende malen seks met haar te hebben;
  • het feit dat de verdachte hiermee een inbreuk heeft gemaakt op de lichamelijke en emotionele integriteit van het slachtoffer en haar (ongestoorde) seksuele ontwikkeling;
  • het feit dat verdachte tevens met zijn telefoon de seks heeft gefilmd en aldus een afbeelding van kinderpornografische aard heeft vervaardigd en een gegevensdrager bevattende die afbeelding in zijn bezit heeft gehad
  • de omstandigheid dat uit het dossier blijkt dat verdachte wist dat het slachtoffer vanuit een gesloten instelling was weggelopen en derhalve mag worden verondersteld dat de verdachte van haar kwetsbaarheid op de hoogte was;
  • het leed dat verdachte bij het slachtoffer en haar moeder heeft veroorzaakt.
In verband met de persoon van de verdachte heeft het hof in het bijzonder gelet op:
  • de inhoud van het hem betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 30 juni 2022, waaruit blijkt dat verdachte niet eerder ter zake van een soortgelijke feit is veroordeeld;
  • de verdachte betreffende reclasseringsadviezen d.d. 17 juni 2019 en 26 oktober 2021;
  • het de verdachte betreffende Pro Justitia rapport d.d. 25 oktober 2019 betreffende psychologisch onderzoek, waarin onder meer melding wordt gemaakt dat ten tijde van het tenlastegelegde bij verdachte sprake was van een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens in de vorm van zwakbegaafdheid en er geen argumenten gelegen in de persoonlijke ontwikkeling van verdachte en/of zijn ontwikkeling zijn die aanleiding geven het minderjarigenstrafrecht toe te passen;
  • de overige persoonlijke omstandigheden zoals deze ter terechtzitting in hoger beroep naar voren zijn gebracht, in het bijzonder:
o de door de verdediging overgelegde behandelovereenkomst d.d. 6 juli 2022 waaruit blijkt dat de verdachte vrijwillig is overgegaan tot het zoeken van hulp voor bij hem aanwezige psychische problematiek en momenteel hard zijn best doet om aan zichzelf te werken;
o de omstandigheid dat verdachte naar [plaats] is verhuisd en heeft gebroken met zijn verleden in [plaats 2];
  • de omstandigheid dat verdachte ter terechtzitting in hoger beroep volledige verantwoordelijkheid heeft genomen voor de door hem begane strafbare feiten, in die zin dat hij de aan hem tenlastegelegde feiten heeft bekend en te kennen heeft gegeven dat hij hiervoor straf verdient.
  • de omstandigheid dat verdachte uit eigener wil ervoor heeft gekozen om zich te laten behandelen rechtvaardigen.
Gelet op de hiervoor overwogen ernst van het bewezenverklaarde kan niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt. Alle omstandigheden in aanmerking genomen acht het hof oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden, waarvan 8 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, in beginsel passend en geboden.
Bij de strafvervolging van verdachte is de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6, eerste lid van het EVRM, in de procedure in eerste aanleg geschonden. Gelet op deze schending zal worden volstaan met het opleggen van een gevangenisstraf voor de duur van 22 maanden, waarvan 8 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren met aftrek van voorarrest.
Met oplegging van een gedeeltelijk voorwaardelijke gevangenisstraf wordt enerzijds de ernst van het bewezenverklaarde tot uitdrukking gebracht en wordt anderzijds de strafoplegging dienstbaar gemaakt aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De beslissing is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 55, 57, 240b en 245 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens gelden.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de opgelegde straf en doet in zoverre opnieuw recht.
Veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
22 (tweeëntwintig) maanden.
Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot
8 (acht) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van
2 (twee) jarenaan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige.
Aldus gewezen door:
mr. S.V. Pelsser, voorzitter,
mr. G.J. Schiffers en mr. H.A.T.G. Koning, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. A.R. Veldt, griffier,
en op 26 september 2022 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
Mr. G.J. Schiffers is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.