Het gerechtshof 's-Hertogenbosch heeft op 21 september 2022 het hoger beroep behandeld tegen het vonnis van de rechtbank Limburg waarbij verdachte was veroordeeld voor medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met de Opiumwet. De verdachte werd veroordeeld tot 12 maanden gevangenisstraf met aftrek van voorarrest.
De verdediging stelde primair niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie wegens zoekraken van essentiële camerabeelden, maar het hof oordeelde dat dit niet tot niet-ontvankelijkheid leidt omdat geen sprake is van grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte en voldoende compensatie is geboden. De bewijsuitsluiting van het proces-verbaal van bevindingen werd eveneens verworpen.
Het hof bevestigde het vonnis met aanvulling van de gronden en wijzigde de kwalificatie van het bewezenverklaarde onder feit 2. De strafmaat werd gebaseerd op landelijke oriëntatiepunten, rekening houdend met natte hennep, en de totale straf werd vastgesteld op 14 maanden gevangenisstraf waarvan 12 maanden onvoorwaardelijk. De overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep werd toegerekend aan de verdachte, zodat geen verdere strafvermindering werd toegepast. Het hof wijzigde de beslagbeslissing door € 500,- verbeurd te verklaren en de rest terug te geven.