ECLI:NL:GHSHE:2022:3352

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
30 september 2022
Publicatiedatum
4 oktober 2022
Zaaknummer
20-003016-21
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 213 SrArt. 214bis SrArt. 2:1 b lid 5 Algemene Plaatselijke Verordening Roermond 2020Art. 9a SrArt. 279 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging veroordeling voor opzettelijk uitgeven vals bankbiljet en niet-ontvankelijkheid vordering tenuitvoerlegging

Het gerechtshof 's-Hertogenbosch behandelde het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter te Roermond, waarin verdachte was veroordeeld voor het opzettelijk uitgeven van een vals bankbiljet en een overtreding van de Algemene Plaatselijke Verordening Roermond 2020. Daarnaast werd de tenuitvoerlegging gelast van een eerder opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf.

In hoger beroep werd vrijspraak bepleit voor het uitgeven van het valse biljet, maar het hof oordeelde dat voldoende bewijs bestond dat verdachte opzet had op de valsheid van het biljet ten tijde van het uitgeven. Dit bleek onder meer uit de directe constatering van de aangever dat het biljet vals was en de waarnemingen van de verbalisant over de slechte kwaliteit van het biljet.

Het hof verklaarde het in beslag genomen biljet verbeurd en bevestigde de veroordeling voor het uitgeven van vals geld. De vordering tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke straf werd door het hof niet-ontvankelijk verklaard omdat deze straf reeds was uitgevoerd. Het vonnis werd in zoverre vernietigd en opnieuw beslist, met bevestiging van het overige vonnis.

Uitkomst: Verdachte is veroordeeld voor het opzettelijk uitgeven van een vals 20 euro biljet en het openbaar ministerie is niet-ontvankelijk verklaard in de vordering tot tenuitvoerlegging.

Uitspraak

Parketnummer : 20-003016-21
Uitspraak : 30 september 2022
TEGENSPRAAK (ex art. 279 Sv Pro)

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Limburg, zitting houdende te Roermond, van 14 december 2021, parketnummer 03-194800-21 en de van dat vonnis deel uitmakende beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging van een eerder opgelegde voorwaardelijke straf, parketnummer 03-191770-19, in de strafzaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1977,
wonende te [adres] .
Hoger beroep
Bij vonnis waarvan beroep heeft de politierechter het tenlastegelegde bewezenverklaard en dat gekwalificeerd als ‘opzettelijk valse bankbiljetten uitgeven’ (
feit 1) en ‘overtreding van artikel 2:1 b lid 5 van de Algemene Plaatselijke Verordening Roermond 2020’ (
feit 2), de verdachte deswege strafbaar verklaard en haar ten aanzien van feit 1 veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 1 week. Ten aanzien van feit 2 is artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht toegepast. Voorts is de tenuitvoerlegging gelast van de voorwaardelijk opgelegde straf onder parketnummer 03-191770-19 te weten een gevangenisstraf voor de duur van 120 dagen. Tot slot is een vals 20 euro biljet onttrokken aan het verkeer.
Namens de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens de verdachte naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis van de politierechter zal bevestigen met uitzondering van de beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging en, in zoverre opnieuw rechtdoende, het openbaar ministerie ten aanzien van deze vordering tot tenuitvoerlegging niet-ontvankelijk zal verklaren.
Namens de verdachte is primair vrijspraak bepleit voor het onder feit 1 tenlastegelegde. Subsidiair is een strafmaatverweer gevoerd.
Vonnis waarvan beroep
Het hof verenigt zich met het beroepen vonnis en met aanvulling van de gronden waarop dit berust, behalve voor wat betreft de beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging en de beslissing op het beslag.
Het hof zal – nu de meervoudige strafkamer gebonden is aan het motiveringsvoorschrift van artikel 359, derde lid, eerste volzin, van het Wetboek van Strafvordering – indien tegen dit arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, de inhoud van de door de politierechter opgesomde bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring uitwerken in een aanvulling op dit verkorte arrest. Deze aanvulling wordt dan aan dit arrest gehecht.
Aanvulling van de bewijsoverweging
Met betrekking tot feit 1 overweegt het hof aanvullend als volgt.
Het hof stelt voorop dat het uitgeven van vals geld op grond van art. 213 Sr Pro pas strafbaar is wanneer ten tijde van het uitgeven (voorwaardelijk) opzet op die valsheid heeft bestaan.
De vraag is of voldoende kan worden vastgesteld dat de verdachte opzet had op de valsheid van het biljet van € 20,- ten tijde van het wisselen daarvan op 15 juli 2021. Uit het dossier volgt dat [aangever] , nadat hij het geld had aangenomen en de verdachte wegrende, ‘direct’ aan het papier voelde dat het geld dat hij van de verdachte had ontvangen vals was. Daarnaast heeft [verbalisant] gerelateerd dat het door de verdachte uitgegeven biljet van slechte kwaliteit was, dat de blauwe kleuren flets waren, dat het biljet niet voorzien was van een watermerk en dat het papier slap en dun aanvoelde. Het hof acht het onaannemelijk dat iemand die een dergelijk biljet hanteert, van die eigenschappen niets merkt. Gelet daarop kan het niet anders zijn dan dat de verdachte op 15 juli 2021 wetenschap had van de valsheid van het € 20,- biljet. Het kan namelijk niet anders zijn dan dat de verdachte ook heeft gevoeld dat het biljet vals was ten tijde van het uitgeven daarvan.
Beslag
Het hierna te noemen in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerp, te weten een biljet van € 20,-, is op grond van het bepaalde in artikel 214bis van het Wetboek van Strafrecht vatbaar voor verbeurdverklaring, omdat de verdachte wordt veroordeeld voor het opzettelijk uitgeven van een vals bankbiljet en dit misdrijf met dit bankbiljet is gepleegd. Gelet hierop zal het hof de verbeurdverklaring van dit voorwerp uitspreken.
Vordering tot tenuitvoerlegging
Het openbaar ministerie is in zijn vordering tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk niet tenuitvoergelegde straf niet-ontvankelijk nu uit het uittreksel van de Justitiële Documentatie volgt dat deze straf reeds ten uitvoer is gelegd.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging en de beslissing omtrent het beslag en doet in zoverre opnieuw recht.
verklaart verbeurdhet in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten:
1 STK Geld Vals 20 euro biljet;
verklaart het openbaar ministerie niet-ontvankelijk in de vordering tenuitvoerlegging, met parketnummer 03-191770-19;
bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige.
Aldus gewezen door:
mr. C.P.J. Scheele, voorzitter,
mr. A.J.A.M. Nieuwenhuizen en mr. S. Riemens, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. R.M. Gloudemans, griffier,
en op 30 september 2022 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
Mr. A.J.A.M. Nieuwenhuizen is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.s