ECLI:NL:GHSHE:2022:3417

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
6 oktober 2022
Publicatiedatum
7 oktober 2022
Zaaknummer
20-003049-21
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 41 lid 2 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging veroordeling poging tot doodslag wegens disproportionele verdediging met mes

Op 27 mei 2021 vond een conflict plaats bij de woning van de verdachte te Roosendaal waarbij aangever verhaal wilde halen bij een getuige in de woning. Na een woordenwisseling werden aangever en getuige uit de woning gezet, maar zij keerden terug waarna aangever probeerde binnen te komen en de verdachte schopte. De verdachte stak aangever met een mes in de borst.

Het hof stelt vast dat er sprake was van een ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanranding van het lijf van de verdachte, wat een noodzaak tot verdediging opleverde. Echter, de gekozen verdediging met een potentieel dodelijke steekwond stond niet in redelijke verhouding tot de ernst van de aanranding, die bestond uit een schop.

Het beroep op noodweer wordt daarom verworpen. Ook het subsidiaire beroep op noodweerexces wordt afgewezen omdat niet aannemelijk is dat de verdachte handelde uit een hevige gemoedsbeweging. De verdachte verklaarde dat het steekletsel per ongeluk was ontstaan tijdens een omhelzing, wat geen ruimte laat voor noodweerexces.

Het hof bevestigt het vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant waarin de verdachte is veroordeeld tot drie jaar gevangenisstraf met aftrek van voorarrest wegens poging tot doodslag.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot drie jaar gevangenisstraf wegens poging tot doodslag; beroep op noodweer en noodweerexces verworpen.

Uitspraak

Parketnummer : 20-003049-21
Uitspraak : 6 oktober 2022
TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 16 december 2021, in de strafzaak met parketnummer 02-138217-21 tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1962,
wonende te [adres] ,
thans verblijvende in P.I. Ter Apel, Gevangenis te Ter Apel.
Hoger beroep
De verdachte is bij vonnis waarvan beroep ter zake van ‘poging tot doodslag’ veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van drie jaren met aftrek van het voorarrest.
Van de zijde van de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep integraal zal bevestigen.
Door en namens de verdachte is primair integrale vrijspraak van het tenlastegelegde bepleit. Subsidiair is gesteld dat de verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging ingevolge een geslaagd beroep op de strafuitsluitingsgrond noodweer. Meer subsidiair is een strafmaatverweer gevoerd.
Vonnis waarvan beroep
Het hof verenigt zich met het beroepen vonnis, met verbetering van de gronden omtrent de strafbaarheid.
In hoger beroep is van de zijde van de verdachte onder meer aangevoerd dat de verdachte heeft gehandeld uit noodweer(exces) en dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging. De raadsman heeft daartoe – op gronden zoals verwoord in de pleitnota – aangevoerd dat de verdachte zich geconfronteerd zag met een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding waartegen de verdachte zich gerechtvaardigd heeft verdedigd. Aangever bevond zich bij de woning van de verdachte en trachtte deze binnen te komen. Aangever was vervelend en zat aan te dringen. Daarnaast heeft aangever de verdachte geslagen en geschopt. De verdachte heeft zich tegen deze aanranding gerechtvaardigd verdedigd door de aangever te omhelzen. Subsidiair is gesteld dat, indien de verdedigingswijze als disproportioneel wordt aangemerkt, de verdachte een geslaagd beroep op noodweerexces toekomt nu hij in een hevige gemoedstoestand verkeerde. Op grond van bovenstaande dient de verdachte te worden ontslagen van alle rechtsvervolging, aldus de raadsman.
Het hof stelt op grond van de inhoud van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep het volgende vast.
Op 27 mei 2021 heeft er een conflict plaatsgevonden bij de woning van de verdachte te Roosendaal. De verdachte bevond zich tezamen met getuige [getuige] in zijn woning op het moment dat aangever [aangever] voor de deur van de betreffende woning stond. Aangever wilde verhaal gaan halen bij [getuige] , kennelijk omwille van diverse spullen die in de woning lagen en toebehoorden aan aangever. Bij de woning is vervolgens een woordenwisseling ontstaan tussen de verdachte, de aangever en later ook de getuige [getuige] . Aangever en [getuige] zijn door de verdachte uit de woning gezet, waarna [getuige] en aangever na enige tijd weer zijn teruggekeerd naar de woning van de verdachte. Aangever trachtte de woning binnen te komen, onder meer door een voet tussen de deur van de woning te zetten. De verdachte wilde dat aangever zou vertrekken. Aangever heeft vervolgens in de richting van de verdachte geschopt, waarna de verdachte aangever met een mes heeft gestoken in diens borst.
Het hof stelt voorop dat voor het slagen van een beroep op noodweer is vereist dat de handeling is geboden door de noodzakelijke verdediging van eigen of eens anders lijf, eerbaarheid of goed tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding of de onmiddellijke dreiging daarvan. Hierin ligt besloten dat de verdedigingshandeling moet voldoen aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit.
Het hof is anders dan de rechtbank, maar met de raadsman van oordeel dat er op grond van bovenstaande feiten en omstandigheden sprake was van een ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanranding van het lijf van de verdachte. Verdachte werd immers in zijn eigen woning lastiggevallen door de aangever. Deze wilde ondanks meerdere verzoeken van de verdachte niet vertrekken en heeft daarenboven verdachte geschopt.
Vervolgens dient het hof de vraag te beantwoorden of de gedraging is geboden door de noodzakelijke verdediging. De eisen van proportionaliteit en subsidiariteit hebben betrekking op de vraag of de verdediging noodzakelijk was, respectievelijk op de vraag of de gekozen wijze van verdediging tegen de aanranding geboden was. Het hof stelt vast dat er een noodzaak tot verdediging bestond, nu er sprake was van een ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanranding jegens het lijf van de verdachte. Er bestond voor de verdachte geen redelijke mogelijkheid om zich aan deze aanranding te onttrekken.
De proportionaliteitseis strekt ertoe om niet ook dan een gedraging straffeloos te doen zijn indien zij – als verdedigingsmiddel – niet in redelijke verhouding staat tot de ernst van de aanranding. De in dat verband – tot terughoudendheid nopende – maatstaf luidt of de gedraging als verdedigingsmiddel niet in onredelijke verhouding staat tot de ernst van de aanranding. De keuze van het verdedigingsmiddel en de wijze waarop het is gebruikt, staan bij de beoordeling van de proportionaliteit centraal. Zo staat in beginsel het met kracht toebrengen van een diepe, potentieel dodelijke steekwond niet in verhouding met een aanval die bestaat uit het slaan met de blote handen dan wel een vuist. [1] Dit is naar het oordeel van het hof in het geval van een schop in plaats van slaan in beginsel niet anders, ook niet als aangever in verhouding tot de verdachte een (aanmerkelijk) grotere man betreft.
Met betrekking tot de door de verdachte gekozen wijze van verdediging, te weten het steken met een mes in het bovenlichaam van aangever, is het hof dan ook van oordeel dat deze niet in verhouding staat tot het aangerande rechtsbelang, waardoor de verdachte geen geslaagd beroep op noodweer toekomt.
Subsidiair is door de raadsman een beroep op noodweerexces gedaan, nu de disproportionele reactie van de verdachte het gevolg was van een hevige gemoedsbeweging. Het hof is van oordeel dat niet aannemelijk is gemaakt noch anderszins aannemelijk is geworden dat in het geval van de verdachte sprake is geweest van een hevige gemoedsbeweging als gevolg van voornoemde aanranding. Temeer niet nu verdachte bij herhaling heeft verklaard dat het steekletsel als gevolg van een omhelzing per ongeluk is ontstaan. Die omhelzing en de als gevolg daarvan ontstane steekwond en klaplong laten geen ruimte voor het aannemen van een hevige gemoedsbeweging als bedoeld in artikel 41, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht.
Het hof verwerpt mitsdien de verweren ter zake noodweer en noodweerexces.

BESLISSING

Het hof:
Bevestigt het vonnis waarvan beroep met inachtneming van het hiervoor overwogene.
Aldus gewezen door:
mr. H.A.T.G. Koning, voorzitter,
mr. S.C. van Duijn en mr. B.F.M. Klappe, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. M.B. Mobach, griffier,
en op 6 oktober 2022 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
Mrs. S.C. van Duijn en B.F.M. Klappe zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

Voetnoten

1.Hoge Raad d.d. 8 april 2008 (ECLI:NL:HR:2008:BC5982)