Uitspraak
5.Het vervolg van de procedure in hoger beroep
- het tussenarrest van 10 augustus 2021;
- de door [geïntimeerde] genomen memorie van antwoord;
- het H2-formulier waarbij mr. P.M. Jongeling zich als advocaat van [appellante] aan de zaak heeft onttrokken;
- de rolkaart, waaruit blijkt dat mr. S.K. Tuithof zich als opvolgend advocaat van [appellante] heeft gesteld.
6.De verdere beoordeling
- a. Bij huurovereenkomst van 9 mei 2014 heeft [geïntimeerde] met ingang van 1 juni 2014 aan [appellante] en [persoon A] (hierna: [persoon A] ) verhuurd het zaalgedeelte met oprit, entree, garderobe, opslag en toiletgroepen, gelegen aan de [adres] te [plaats] (hierna: het gehuurde). De huurovereenkomst is volgens artikel 3.1 aangegaan voor de duur van vijf jaar, en zou dus in beginsel in elk geval lopen tot en met 31 mei 2019.
- b. Het gehuurde is in artikel 1.3 van de overeenkomst bestemd voor de exploitatie van een bar/dancing. De partijen zijn een huurprijs overeengekomen van € 13.300,00 exclusief btw per jaar, vermeerderd met een bedrag van € 3.600,00 exclusief btw per jaar aan servicekosten, uitgaande van één openingsdag (zaterdag) per week. De verschuldigde huurprijs bedraagt aldus € 325,00 exclusief btw, zijnde € 393,25 inclusief btw per week. Voor elke extra dag dat het gehuurde door [appellante] en [persoon A] wordt geëxploiteerd, moeten zij volgens artikel 16.5 van de huurovereenkomst aan [geïntimeerde] een vergoeding van € 60,00 exclusief btw voldoen.
- c. De partijen zijn in artikel 16.4 van de huurovereenkomst overeengekomen dat [geïntimeerde] aan [appellante] en [persoon A] het tappils (ten tijde van het sluiten van de huurovereenkomst Dommelsch) levert, en dat [appellante] en [persoon A] de overige dranken rechtstreeks bestellen bij [[X]] Drankenhandel of [geïntimeerde] .
- d. Partijen hebben verder een huurkoopovereenkomst van 9 mei 2014 gesloten ter zake onder meer de inventaris van het gehuurde. Volgens artikel 22 van Pro deze overeenkomst is de overeenkomst onlosmakelijk verbonden met de huurovereenkomst. Op basis van de huurkoopovereenkomst zijn [appellante] en [persoon A] vanaf 1 juni 2014 voor de duur van 60 maanden een bedrag van € 736,66 per maand aan [geïntimeerde] verschuldigd ter zake van aflossing en rente.
- e. In 2014 en in de eerste helft van 2015 hebben [appellante] en [persoon A] een betaalachterstand laten ontstaan met betrekking tot de huur en de overige betalingsverplichtingen jegens [geïntimeerde] . Bij overeenkomst van 10 juni 2015 hebben partijen deze betaalachterstand omgezet in een lening van € 11.138,65. Partijen zijn daarbij overeengekomen dat terugbetaling van het bedrag van € 11.138,65 per bank moet geschieden in wekelijkse termijnen van € 300,00. In de bijlage bij de overeenkomst van geldlening is gespecificeerd uit welke posten het bedrag van € 11.138,65 is opgebouwd.
- f. Bij dagvaardingen van – naar het hof begrijpt – 4 en 9 januari 2018 heeft [geïntimeerde] bij de kantonrechter van de rechtbank Oost-Brabant, locatie ’s-Hertogenbosch, een kort geding tegen [appellante] en [persoon A] aanhangig gemaakt. In die procedure heeft [geïntimeerde] gesteld dat [appellante] en [persoon A] een huurachterstand van ruim € 45.000,00 inclusief btw hebben laten ontstaan en dat zij de exploitatie van het gehuurde per juni 2017 hebben gestaakt. Ook heeft [geïntimeerde] gesteld dat de Drank- en Horecavergunning van [appellante] en [persoon A] is ingetrokken, zodat exploitatie van het gehuurde door [appellante] en [persoon A] niet meer is toegestaan. Op grond daarvan heeft [geïntimeerde] in die kortgedingprocedure, samengevat, veroordeling gevorderd van [appellante] en [persoon A] om het gehuurde te ontruimen en te gedogen dat [geïntimeerde] het gehuurde zelf exploiteert.
- g. Bij kortgedingvonnis van 1 februari 2018 heeft de kantonrechter geoordeeld dat de huurachterstand zodanig van omvang is dat het zeer waarschijnlijk is dat in een bodemprocedure de ontbinding van de huurovereenkomst zal worden uitgesproken, en dat het belang van [geïntimeerde] als verhuurder om weer over het gehuurde te kunnen beschikken zwaarder weegt dan het belang van [appellante] en [persoon A] om in het gehuurde te kunnen blijven. Op grond van deze oordelen heeft de kantonrechter, rechtdoende als voorzieningenrechter, samengevat, [appellante] en [persoon A] veroordeeld om het gehuurde binnen twee weken na betekening van het kortgedingvonnis te ontruimen en te gedogen dat [geïntimeerde] het gehuurde zelf exploiteert op een wijze die hem goeddunkt.
- h. In rov. 4.7 van het kortgedingvonnis heeft de kantonrechter geoordeeld dat [appellante] en [persoon A] vanaf twee weken na betekening van het vonnis geen huur meer hoeven te betalen omdat zij vanaf dat moment geen genot meer hebben van het gehuurde. [geïntimeerde] heeft het vonnis op 15 februari 2018 aan [appellante] en [persoon A] laten betekenen. Hiervan uitgaande zijn [appellante] en [persoon A] met ingang van 1 maart 2018 geen huur meer verschuldigd.
- i. Bij arrest van 21 augustus 2018 heeft het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch het hiervoor genoemde vonnis bekrachtigd.
- 1. ontbinding van de tussen partijen gesloten huurovereenkomst met betrekking tot het zaalgedeelte met oprit, entree, garderobe, opslag en toiletgroepen aan de [adres] te [plaats] ;
- 2. hoofdelijke veroordeling van [appellante] en [persoon A] tot betaling van € 60.294,90, te vermeerderen met de contractuele rente van 1% van het verschuldigde per kalendermaand, met een minimum € 300,00 per maand, subsidiair met de wettelijke handelsrente en meer subsidiair met de wettelijke rente over de van dat bedrag deel uitmakende betalingstermijnen;
- € 11.138,65 ter zake de lening van 10 juni 2015;
- € 7.417,75 ter zake de huurachterstand over de rest van 2015;
- € 17.696,25 ter zake de huurachterstand over 2016;
- € 20.449,-- ter zake de huurachterstand over 2017;
- € 3.539,25 ter zake de huurachterstand over januari en februari 2018.
- 1. een verklaring voor recht dat bij verkoop [geïntimeerde] contractueel gehouden is het registergoed eerst te koop aan te bieden aan [appellante] en zolang dit niet gebeurd is [geïntimeerde] te verbieden het pand aan derden te verkopen;
- 2. vermindering van de huurprijs van het gehuurde met een bedrag in verhouding tot de door [appellante] gestelde gebreken, nader op te maken bij staat, vanaf 1 juni 2014;
- 3. veroordeling van [geïntimeerde] tot vergoeding van de schade die [appellante] heeft geleden al gevolg van niet ter beschikking stellen en houden van het gehuurde aan [appellante] vanaf juni 2017, nader op te maken bij staat;
- 4. veroordeling van [geïntimeerde] tot betaling van de bonussen op de bierverkoop conform afspraak en [geïntimeerde] te veroordelen tot het vertrekken van inzicht in zijn bier- in en verkopen over de gehele periode, alsmede tot terugbetaling van ten onrechte te hoog betaalde inkoopprijs voor het bier, een en ander nader op te maken bij staat;
- Hoewel [persoon A] in elk geval de laatste jaren geen rol meer heeft gespeeld bij de exploitatie van de bar/dancing in het gehuurde, is hij nog altijd medehuurder. Voor zover de vorderingen van [geïntimeerde] toewijsbaar zijn, zal dat dus ook [persoon A] betreffen (rov. 4.1).
- Er is niet komen vast te staan dat [appellante] aflossingen heeft gedaan op de overeenkomst van geldlening van € 11.138,65 ter zake de huurachterstand over 2014 en de eerste helft van 2015. Dit onderdeel van de vordering is toewijsbaar (rov. 4.2).
- De bankafschriften bevestigen de stelling van [geïntimeerde] dat er in de periode van de tweede helft van 2015 tot 1 maart 2018 een huurachterstand is ontstaan van € 49.156.25 (rov. 4.3).
- [appellante] heeft haar stelling dat zij veel meer contante betalingen aan [geïntimeerde] heeft gedaan dan uit de door haar overgelegde producties volgt, onvoldoende onderbouwd. De kantonrechter ziet geen aanleiding om [appellante] nog gelegenheid te geven om die stelling nader te onderbouwen of om [appellante] de gelegenheid te geven die stelling te bewijzen door het horen van getuigen (rov. 4.4, 4.5 en 4.6).
- Er kan niet worden aangenomen dat [appellante] op de huur bedragen in mindering mocht brengen ter zake verrichte werkzaamheden, bierbonussen of de prijs voor geleverd bier (rov. 4.7).
- Het stond [appellante] niet vrij om door haar gestelde schade ter zake lekkages te verrekenen met de door haar verschuldigd huur (rov. 4.8, tweede alinea).
- Dat [appellante] als gevolg van lekkages een daadwerkelijke vermindering van huurgenot heeft ervaren die aanleiding geeft tot huurprijsvermindering, kan niet worden aangenomen (rov. 4.8, derde alinea).
- Het door [appellante] gestelde “golven” van de dansvloer kan gelet op het bepaalde in artikel 16.8 van de huurovereenkomst niet leiden tot huurvermindering (rov. 4.8 derde alinea).
- Er kan niet worden aangenomen dat [appellante] huurgenot heeft gederfd doordat [geïntimeerde] medio 2017 de sloten van het gehuurde heeft vervangen en de alarmcode heeft gewijzigd (rov. 4.9).
- De in conventie gevorderde hoofdsom van € 60.294,90 is dus toewijsbaar (rov. 4.10).
- De door [geïntimeerde] over de hoofdsom gevorderde contractuele boete is toewijsbaar (rov. 4.11).
- [appellante] moet in conventie in de proceskosten worden veroordeeld (rov. 4.11).
- de huurovereenkomst tussen partijen ontbonden;
- [appellante] en [persoon A] hoofdelijk veroordeeld om aan [geïntimeerde] € 60.294,90 te betalen, vermeerderd met de contractuele boete van € 300,00 over iedere maand die niet of niet volledig is betaald;
- [appellante] en [persoon A] in de proceskosten veroordeeld;
- het meer of anders gevorderde afgewezen.
- De door [appellante] gevorderde verklaring voor recht dat [geïntimeerde] bij voorgenomen verkoop van het gehuurde het registergoed eerst aan [appellante] moet aanbieden, is toewijsbaar (rov. 4.16).
- De andere vorderingen van [appellante] in reconventie zijn niet toewijsbaar (rov. 4.17).
- [appellante] moet als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten van het geding in reconventie worden veroordeeld.
- voor recht verklaard dat [geïntimeerde] bij verkoop van het registergoed contractueel gehouden is dat eerst te koop aan te bieden aan [appellante] , conform artikel 17 van Pro de huurovereenkomst;
- het meer of anders gevorderde afgewezen;
- [appellante] in de proceskosten veroordeeld.
- [appellante] vordert niet langer veroordeling van [geïntimeerde] tot vergoeding van de schade die [appellante] heeft geleden al gevolg van niet ter beschikking stellen en houden van het gehuurde aan [appellante] vanaf juni 2017, nader op te maken bij staat (vordering 3 in reconventie bij de kantonrechter);
- [appellante] vordert in aanvulling op de toegewezen vordering 1 in reconventie (de verklaring voor recht dat bij verkoop van het registergoed [geïntimeerde] contractueel gehouden is het registergoed eerst te koop aan te bieden aan [appellante] ), tevens [geïntimeerde] te gebieden zijn medewerking te verlenen aan een ten behoeve van de verkoop van de onroerende zaak uit te voeren taxatie, op straffe van een dwangsom.
- afwijzing van de vorderingen van [geïntimeerde] ;
- vermindering van de huur van het gehuurde met een bedrag in verhouding tot de gestelde gebreken, nader op te maken bij staat, danwel in goede justitie door het hof vast te stellen, vanaf 1 juni 2014;
- [geïntimeerde] te gebieden zijn medewerking te verlenen aan een ten behoeve van de verkoop van de onroerende zaak uit te voeren taxatie, op straffe van een dwangsom;
- veroordeling van [geïntimeerde] tot betaling van de afgesproken bonussen op de bierverkoop tot terugbetaling van ten onrechte te hoog betaalde inkoopprijs voor het verplicht af te nemen bier, een en ander op te maken bij staat;
- € 7.417,75 ter zake de huurachterstand over de rest van 2015;
- € 17.696,25 ter zake de huurachterstand over 2016;
- € 20.449,-- ter zake de huurachterstand over 2017;
- € 3.539,25 ter zake de huurachterstand over januari en februari 2018.
- grief III: derving huurgenot door vervanging sloten en wijziging alarmcodes?
- grief VIII: vermindering huurprijs wegens het niet ter beschikking stellen van het gehuurde?
laten repareren c.q. vervangen. Dat gebrek kan dan niet leiden tot huurvermindering.”
- A. dat partijen hebben afgesproken dat [appellante] zou meeprofiteren van de bonussen die [geïntimeerde] zou ontvangen over het bier dat hij kocht van Inbev en doorleverde aan [appellante] ;
- B. dat [geïntimeerde] voor het door hem aan [appellante] doorgeleverde bier te hoge prijzen in rekening heeft gebracht.
7.De uitspraak
- A. dat zij in 2014 vijf weekhuurtermijnen van € 393,25 contant aan [geïntimeerde] heeft betaald (rov. 6.6.10);
- B. dat, en tot welk bedrag, zij in de periode van 1 januari 2015 tot 1 juli 2017 contant huur aan [geïntimeerde] heeft betaald (rov. 6.7.9);